1.Het dagelijks bestuur bestaat uit de voorzitter en twee andere leden, door het
algemeen bestuur uit zijn midden aan te wijzen en te ontslaan.
2.Een lid van het dagelijks bestuur treedt af op de dag waarop hij ophoudt lid te zijn van het algemeen bestuur. Het lid kan, indien hij opnieuw is aangewezen
tot lid van het algemeen bestuur, terstond opnieuw worden benoemd.
3.Een lid van het dagelijks bestuur kan te allen tijde ontslag nemen. Hij deelt zijn
ontslag mee aan het algemeen bestuur en aan het college die het aangaat. Het
ontslag gaat in zodra onherroepelijk in de opvolging is voorzien.
HOOFDSTUK 4
Artikel 14