Bij kruisingen van wegen, boomlocaties, fietspaden en uitritten dienen de kabels of leidingen in een mantelbuis te worden aangebracht.
De KLB is – indien technisch haalbaar - verplicht gebruik te maken van eventuele aanwezige mantelbuizen die reeds eerder door- of in opdracht van de gemeente zijn aangelegd. De mantelbuizen worden tegen marktconforme tarieven c.q. daadwerkelijk gemaakt kosten overgenomen door de KLB.
Bij kruising van een kabel of leiding met een gesloten wegdek, een gefundeerde elementenverharding of een sierbestrating moet van een mantelbuis gebruik worden gemaakt. Als er ter plekke geen mantelbuis aanwezig is, dient een persing (<10m1) of een gestuurde boring te worden gemaakt. Bij persingen dient de mantelbuis van dezelfde diameter te zijn als het kegelstuk van de pers.
De mantelbuis moet worden aangebracht zonder dat de gefundeerde of gesloten verharding wordt opgebroken of wortels van boomlocaties beschadigen. Dit gebeurt zodanig dat er geen schade ontstaat door zetting, oppersing, en dergelijke, aan onder meer de gesloten wegconstructie, de overige verharding, het rioolstelsel, de naastgelegen bermen, het groen, etc., evenals aan de overige ondergrondse infrastructuur.
Wegkruisingen zonder mantelbuis die worden gerealiseerd door een “raket Max 50mm” (koude boring zonder mantelbuis) mogen alleen toegepast worden in overleg met de Toezichthouder Kabels en leidingen van de gemeente en bij een wegbreedte van <3 meter.
De onder de verharding aan te brengen buizen, mantelbuizen en kokers, moeten met inachtneming van de te verwachten gronddruk en verkeersbelasting zijn berekend en gedimensioneerd volgens de meest recente van toepassing zijnde voorschriften en normeringen.
Persingen >10 meter zijn niet toegestaan. Indien er wegkruisingen van meer dan 10 meter gerealiseerd worden moet dit door een gestuurde boring worden gedaan.
De bovenkant van de mantelbuis wordt minimaal 80 cm onder de bovenkant van de wegverharding, gemeten op het laagste punt van de weg en bij boomlocaties, aangebracht door persen, boren of een gestuurde boring.
De buiseinden moeten minimaal 75 cm buiten de kant van de fundering uitsteken. Na het inbrengen van de kabels of leidingen wordt de mantelbuis afgesloten ter voorkoming van het instromen van zand.
De kruising wordt zoveel mogelijk onder een rechte hoek ten opzichte van de weg-as uitgevoerd. Afwijkingen worden na vastgelegde toestemming van de Toezichthouder Kabels en leidingen van de gemeente gerealiseerd. Bij gescheiden rijbanen of fietspaden met tussenliggende groenstroken wordt de mantelbuis uit één lengte aangebracht. De mantelbuizen mogen niet in kruisingsvlakken van wegen worden aangebracht maar buiten de tangentpunten van de aansluitende bochten. Bij doorkruisen van boomrijen wordt een tracé gekozen dat zover mogelijk van de bomen af ligt.
De uit foutieve persingen/ boringen voortvloeiende schade wordt door de KLB aan Toezichthouder Kabels en Leidingen van de gemeente gemeld. De ontstane herstelkosten zijn voor rekening van de KLB.
Indien met een open mantelbuis wordt geperst en de grondwaterstand dit vereist, wordt de grondwaterstand aan weerszijden van de rijweg verlaagd door het plaatsen van bronnering
van voldoende capaciteit. In de directe nabijheid van bomen worden in het groeiseizoen, ter voorkoming van uitdroging, voorzieningen getroffen bij werkzaamheden in de periode van maart t/m oktober. De grondwaterstand wordt door peilbuizen gecontroleerd (zie Artikel 18, lid 4).
Na het inbrengen van de kabels en leidingen in de mantelbuis moet de KLB de buis afdichten.
Wanneer er bij gestuurde boringen gebruik gemaakt wordt van bentoniet moet de overtollige bentoniet volledig afgevoerd worden door de KLB. Tevens wordt de werkplek geheel schoon (o.a. vrij van bentoniet) opgeleverd.
Wanneer een alternatief tracé niet mogelijk is (of een persing/ boring) kan onder project specifieke voorwaarden door de Toezichthouder Kabels en Leidingen van de gemeente vastgelegde toestemming worden verleend om een sleuf door de gesloten verharding aan te brengen. De wijze waarop dit moet gebeuren wordt door de Toezichthouder Kabels en Leidingen van de gemeente per geval bepaald.
Tussen de daadwerkelijk te graven sleuf en de zaagsneden/fundering moet minimaal 40 cm gehandhaafd blijven om “onderholling” van de gesloten verharding/fundering te voorkomen.
HOOFDSTUK III
Artikel 13
– Kruisingen
Onderdeel van Leidraad voor kabel- en leidingbeheerders inzake werken in de openbare ruimte