Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk TOELICHTING

Artikel 4.

Boete afgestemd op de mate van verwijtbaarheid

Onderdeel van Beleidsregels bestuurlijke boete Gemeente Dalfsen 2017

Het onderscheid tussen de verschillende gradaties van verwijtbaarheid is geen harde scheidslijnen. Dit geeft enerzijds onduidelijkheid en anderzijds biedt dit ruimte om in individuele situaties te komen tot een evenredige boete. Bij gehuwden moet bij iedere belanghebbende afzonderlijk de mate van verwijtbaarheid worden onderzocht. De uiteindelijke boete mag dan niet meer bedragen dan de hoogste boete. De boetes worden niet bij elkaar opgeteld. Voor de aflossing van de boete zijn beide partners hoofdelijk aansprakelijk. Zie ook artikel 18a, negende lid van de PW. Van opzet is sprake indien belanghebbende de inlichtingenplicht willens en wetens heeft geschonden met de bedoeling een hogere uitkering te verkrijgen of te behouden dan waar recht op bestaat. Of, het willens en wetens aanvaarden van de aanmerkelijke kans dat een handelen of het nalaten daarvan tot gevolg heeft dat de inlichtingenplicht wordt geschonden en ten onrechte bijstand is ontvangen. Willens en wetens handelen is bijvoorbeeld aan de orde als belanghebbende de feiten en omstandigheden anders heeft voorgedaan dan ze in werkelijkheid zijn. Opzet is in ieder geval aangetoond als belanghebbende verklaart (bekent) opzettelijk de inlichtingenplicht te hebben geschonden, bijvoorbeeld door niet te melden dat hij werk heeft aanvaard en inkomen geniet, een partner te hebben, inkomsten/vermogen van gezinsleden niet te melden Het college moet goed motiveren waarom in een bepaalde situatie sprake is van opzet. Bij twijfel kan sprake kan zijn van grove schuld. Van grove schuld is sprake indien de belanghebbende bepaalde feiten en omstandigheden heeft nagelaten tijdig, juist en op de voorgeschreven wijze te melden. Tevens staat vast dat belanghebbende: redelijkerwijs had moeten weten dat van een nalatigheid sprake was en dat deze nalatigheid zou leiden of heeft geleid tot het behouden of verkrijgen van een hogere uitkering dan waar recht op bestaat, en in staat geweest is deze nalatigheid te voorkomen of te herstellen en heeft verzuimd dit uit zichzelf te doen. Willens en wetens handelen ontbreekt bij grove schuld. Hij had zich er bewust van moeten zijn. Bijvoorbeeld dat de oldtimer een aanzienlijke waarde vertegenwoordigd en dat elke maand opgegeven wordt niet over vermogen wordt beschikt. Het college moet goed motiveren waarom in een bepaalde situatie sprake is van grove schuld. Bij twijfel kan sprake kan zijn van normale verwijtbaarheid. Van normale verwijtbaarheid is sprake indien belanghebbende heeft nagelaten om een of meer wijzigingen van feiten en omstandigheden waarvan belanghebbende weet of redelijkerwijs kan en behoort te weten dat deze van belang zijn voor de uitkering, tijdig en op de voorgeschreven wijze te melden. Er is sprake van normale verwijtbaarheid als het college opzet, grove schuld en verminderde verwijtbaarheid uitsluit. Het college mag normale verwijtbaarheid aannemen als vaststaat dat belanghebbende de inlichtingenplicht heeft geschonden. Daarbij hoeft het college de verwijtbaarheid niet aan te tonen. Belanghebbende dient aan tonen dat sprake is van geen of minder schuld en daarmee sprake is van geen of verminderde verwijtbaarheid. Van verminderde verwijtbaarheid is sprake indien uit de beoordeling van de individuele situatie blijkt dat het belanghebbende minder valt aan te rekenen. Hiervan is bijvoorbeeld sprake bij sociale, psychische of medische omstandigheden waardoor de schending van in inlichtingenplicht belanghebbende niet volledig is te verwijten. Of bij onvoorziene of ongewenste omstandigheden waardoor belanghebbende feitelijk niet in staat was zijn verplichtingen na te komen. Als belanghebbende alsnog op eigen initiatief de juiste informatie levert, kan verminderde verwijtbaarheid worden overwogen. Zie ook onder waarschuwing. Belanghebbende dient zelf aan te tonen dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid. Als het college door late afhandeling de uitkering beëindigd en de hoogte van het benadelingsbedrag mede aan het college is te wijten, dan is sprake van verminderde verwijtbaarheid. De verwijtbaarheid ontbreekt als bijvoorbeeld sprake is van een vergissing of overmacht. Belanghebbende zal dit zelf moeten aantonen. Als het college al op de hoogte was van alle relevante bewijzen, dan stelt het college zelf vast of sprake is van het ontbreken van de verwijtbaarheid.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel