Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2

Artikel 8.

Politieke antenne

Onderdeel van Algemeen mandaatbesluit

Zoals hiervoor gesteld, gaat het bij het uitoefenen van bevoegdheden in mandaat in de eerste plaats om vertrouwen. Het mandaterende bestuursorgaan moet kunnen vertrouwen dat een besluit wordt genomen dat het orgaan zelf ook zou hebben genomen. Inherent aan de uitoefening van bevoegdheden in mandaat is dat het zicht van de portefeuillehouders op de genomen beslissingen minder wordt. In het verlengde daarvan is de gemandateerde gehouden het bestuursorgaan actief, en zo mogelijk vooraf, te informeren in geval van bijzonderheden in een dossier die voor het bestuursorgaan van betekenis zijn of kunnen worden. Immers, ook in geval van in mandaat uitgeoefende bevoegdheden blijft het bestuursorgaan (politiek) verantwoordelijk. Dat geldt vanzelfsprekend ook in geval van ondermandaat. In bepaalde gevallen kan het zelfs noodzakelijk zijn dat het bestuursorgaan zelf de beslissing neemt en het mandaat niet wordt gebruikt. Het is dan ook van groot belang dat de gemandateerde een "politieke antenne" heeft. In de hierna beschreven situaties moet in elk geval vooraf overleg gepleegd worden met de portefeuillehouder en eventueel met het bevoegde bestuursorgaan: indien het voornemen bestaat tot aanvulling of afwijking van het tot dan gevoerde beleid; indien er, behoudens in zaken met een routinematig karakter, rekening mee moet worden gehouden dat de betrokken portefeuillehouder en/of het college op zijn verantwoorde­lijkheid voor het te nemen besluit zal worden aangesproken; indien uit het te nemen besluit niet voorziene financiële of andere belangrijke consequenties kunnen voortvloeien; indien de betrokken portefeuillehouder, de burgemeester (in zijn hoedanigheid van bestuurlijk coördinator) of de secretaris (in zijn hoeda­nigheid van ambtelijk coördinator) dit ken­baar heeft gemaakt.

Rechtspraak bij dit artikel