Indien een persoon voldoet aan de in de voornoemde voorwaarden kan de burgemeester een maatregel opleggen op basis van artikel 172a of 172b Gemeentewet. De maatregelen zijn herstelmaatregelen. De maatregel wordt genomen om herhaling van de openbare orde verstoringen te voorkomen. Dat zal in ieder geval zijn gedurende de periode dat de maatregel wordt opgelegd.
De burgemeester zal bij een openbare orde verstoring normaliter eerst gebruik maken van de reguliere bevoegdheden in de APV. Uitzondering daarop zijn situaties waarbij een zwaarder instrument als in de artikelen 172a en 172b Gemeentewet aangewezen is, te weten:
situaties waarbij er zich een ernstige openbare orde verstoringen heeft voorgedaan die noodzaakt tot het direct opleggen van een maatregel als genoemd in artikel 172a Gemeentewet,
situaties waarin de reguliere instrumenten geen effectief instrument bieden maar wel de bevoegdheden van artikel 172a of artikel 172b Gemeentewet ;
situaties waarin een zwaarder regime noodzakelijk wordt geacht om de herstelmaatregel effectief te laten zoals als een persoon eerder een gebiedsverbod op basis van de artikelen 2.50 en 2.65 APV heeft overtreden.
Artikel 172a Gemeentewet (gebieds- of groepsverbod en/of meldplicht)
De burgemeester kan een maatregel op grond van artikel 172a Gemeentewet opleggen als:
Blijkt dat een persoon in de 12 maanden voorafgaand aan een openbare orde verstoring al eerder de openbare orde heeft verstoord;
Blijkt dat een persoon een ernstige openbare orde verstoring heeft gepleegd die zodanig ernstig en ingrijpend voor de openbare orde is dat dit het bevel rechtvaardigt om een herhaling te voorkomen.
Artikel 172b Gemeentewet (begeleiding 12-minner)
Wat betreft het opleggen van een gebiedsverbod op grond van artikel 172b Gemeentewet wordt de navolgende werkwijze gehanteerd:
Een bevel wordt gegeven als een minderjarige binnen een termijn van 12 maanden minimaal driemaal groepsgewijs de openbare orde heeft verstoord, en
als een geïntegreerde persoonsgerichte aanpak van minder vergaande middelen en hulpverlening geen effect hebben gehad.
Hoofdstuk 4.
Artikel 4.1