Naar hoofdinhoud
1.. Het percentage van de verlaging voor het niet nakomen van de verplichtingen bedraagt voor: de eerste categorie 10% van de uitkeringsnorm; de tweede categorie 20% van de uitkeringsnorm; de derde categorie 40% van de uitkeringsnorm; de vierde categorie 100% van de uitkeringsnorm. 2.. In afwijking van lid 1 kan er voor het niet nakomen van de verplichting in de eerste, tweede en derde categorie een waarschuwing worden opgelegd. Toelichting Lid 2 Er wordt een waarschuwing gegeven als daar aanleiding voor is. De hoofdregel is dus dat de uitkering wordt verlaagd, maar er kan een waarschuwing worden gegeven. Eerste categorie: Het zich niet op tijd laten registreren als werkzoekende of het niet op tijd laten verlengen van de registratie bij het UWV-WERKbedrijf; het niet of onvoldoende verrichten van een door het college opgedragen tegenprestatie. Toelichting 2. In de Verordening tegenprestatie 2015 is opgenomen dat de handhaving op het niet nakomen van de tegenprestatie niet zwaar wordt ingezet. Het uitgangspunt bij het opleggen van de tegenprestatie is eigen keuze en motivatie. Slechts zelden zal de tegenprestatie als middel ingezet worden om een actievere houding af te dwingen. Het niet nakomen is met oog hierop opgenomen in de 1e categorie. Na herhaald weigeren is er sprake van recidive en wordt het percentage verdubbeld. Tweede categorie: het niet meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van het plan van aanpak; het niet nakomen van verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling en die op grond van artikel 55 van de P-wet door het college bij besluit zijn opgelegd; Toelichting 1. Het meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van het plan van aanpak is een verplichting die in de wet is opgenomen. Tot 01-01-2015 alleen voor jongeren en vanaf die datum voor iedereen. Het plan van aanpak maakt onderdeel uit van de beslissing waarmee de arbeidsverplichting wordt opgelegd en waarin staat dat die moeten worden nagekomen. 2. Voorbeelden van verplichtingen die op grond van artikel 55 van de P-wet opgelegd kunnen worden zijn: meewerken aan schuldhulpverlening, het zoeken naar medische hulp, het zich onder behandeling stellen bij een arts of hulpverlenende organisatie. Derde categorie: het niet actief zoeken naar werk voor zover het niet gaat om één of meer van de geüniformeerde verplichtingen; het verwijtbaar niet verschijnen op een afspraak in verband met de nakoming van de verplichtingen of de ontheffing daarvan op grond van lid 9, 9a, 18 lid 4 en 55 van de P-wet. Toelichting 1. De verplichting op grond van artikel 18 lid 4 van de P-wet gaan voor op de niet geüniformeerde verplichtingen. Om te bepalen of de niet nagekomen verplichting onder de derde categorie valt, moet eerst gekeken worden of de niet nagekomen verplichting in artikel 18 lid 4 wordt genoemd. Dat zal veelal het geval zijn. 2. Het niet verschijnen op een afspraak zonder dat er een goede reden voor is, is verwijtbaar omdat het de toeleiding naar werk, re-integratie en het vaststellen van de verplichtingen of het ontheffen belemmert. Het niet verschijnen op een afspraak leidt niet altijd tot een maatregelwaardige gedraging. In artikel 9 (samenloop) van de verordening is de verplichting om op een afspraak te verschijnen uitgesloten van samenloop met een andere verplichting. Vierde categorie: Het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid voor datum melding of het niet behouden van een inkomensvoorziening die op grond van de P-wet als een passende voorliggende voorziening in de kosten van levensonderhoud wordt aangemerkt; het door de jongere onvoldoende nakomen van de verplichtingen om werk te zoeken en te accepteren gedurende de zoektijd van 4 weken voor zover het niet gaat om één of meer van de geüniformeerde verplichtingen; het niet nakomen van de re- integratieverplichting als bedoeld in artikel 9 lid 1 sub b van de P-wet door een alleenstaande ouder als gevolg waarvan de ontheffing van de arbeidsverplichting op grond van artikel 9 lid 1 sub a van de P-wet niet wordt verleend of is ingetrokken. Toelichting 1. De verplichtingen op grond van artikel 9 van de P-wet zijn van toepassing vanaf de dag van melding. De gedragingen genoemd in sub a vallen onder de noemer “te kort schietend besef van verantwoordelijkheid”. Het gaat om verwijtbare werkloosheid, met als gevolg dat er een beroep gedaan moet worden op een uitkering op grond van de P-wet en om gedragingen waardoor het recht op een voorliggende voorziening wordt afgewezen of niet te gelde gemaakt kan worden. Hiervan is ook sprake als er een beroep op de P-wet wordt gedaan in verband met het feit dat de uitkering waarop recht bestaat volledig verrekend wordt met een recidiveboete. 2. Er is in deze verordening voor gekozen om de uitkering voor de jongere die tijdens de zoektijd niet actief naar werk zoekt, met 100% te verlagen. Het niet zoeken naar werk heeft tot gevolg dat de jongere onnodig gebruik moet gaan maken van een uitkering. Hiermee wordt de bijzondere verantwoordelijkheid die de jongere in de P-wet heeft, benadrukt. De jongere wordt op datum melding voldoende geïnformeerd over de verplichtingen die hij heeft. 3. De grondslag voor deze bepaling is ontleend aan artikel 8 lid 1 sub d en artikel 9a lid 3, lid 5 sub d en lid 12 van de P-wet. In het laatste artikel staat dat de uitkering verlaagd wordt als de ontheffing van de arbeidsverplichting is ingetrokken, omdat de alleenstaande ouder de re-integratieverplichting niet na wil komen. Het niet willen, moet ondubbelzinnig en duidelijk blijken uit het gedrag van de alleenstaande ouder. Dat is zowel het geval bij het behandelen van het verzoek om ontheffing (lid 3) als de situatie dat de ontheffing is ingetrokken omdat de alleenstaande ouder niet meewerkt. Niet meewerken aan een re-integratieverplichting is voor andere categorieën belanghebbenden een geüniformeerde verplichting waarvoor de uitkering van 1 tot 3 maanden wordt verlaagd. Op grond daarvan is indeling in de 4e categorie van de niet geüniformeerde verplichtingen redelijk.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel