18.1 Inleiding
Het gemeentebestuur heeft de taak om toe te zien op de naleving van wat binnen de Wmo is geregeld. Het College van B&W moet daartoe gemeentelijke toezichthouders aanwijzen (art. 6.1. lid 1 Wmo 2015). Het wetsvoorstel laat de organisatie en uitvoering van het toezicht vrij. Binnen de transitiefase had de IGZ nog een taak ten aanzien van het adviseren en rapporteren aan de minister van VWS (art.6.2 lid 1 en 2 Wmo 2015). Dit toezicht komt bovenop de traditionele rechtmatigheidscontrole door de accountant en de monitoring ten behoeve van beleidsontwikkeling en/of financiële verantwoording.
De reikwijdte van het gemeentelijk toezicht strekt zich uit tot in ieder geval
beleidsformulering op de volgende onderdelen:
De toekenningsprocedure voor maatwerkvoorzieningen;
De vaststelling van de hoogte van het persoonsgebonden budget;
De kwaliteitseisen die worden gesteld aan de in het kader van de Wmo aan te bieden voorzieningen, waaronder de deskundigheid van de beroepskrachten.
Er zijn binnen de kwaliteit van voorzieningen een aantal minimumeisen geformuleerd (art. 3.1. lid 2 Wmo 2015). Onder leiding van de VNG is eind 2014 een landelijk model basisset kwaliteitseisen Wmo-ondersteuning voor zeer kwetsbare cliënten opgesteld. Hiernaast hanteert de gemeente Leeuwarden een eigen kwaliteitskader “Kwaliteitskader Sociaal Domein”, dat in september 2016 is vastgesteld. In 2017 is er een uitvoeringsplan kwaliteit.
De systematiek van open normen binnen kwaliteit brengt met zich mee dat de gemeente in samenspraak met aanbieders zal moeten formuleren in hoeverre het beoogde resultaat, in samenhang met andere vormen van zorg en hulp, wordt bereikt in de individuele relatie met de cliënt. Leeuwarden hanteert deze systematiek in de inkoop voor 2016 binnen het sociale domein door binnen het programma van eisen ten aanzien van onder andere opleidingsniveau van de zorgverleners, de functieomschrijving, het gebruik van kwaliteitsmanagementsystemen en inspraak- en klachtregelingen te stellen. De zelfredzaamheidsmatrix en op cliëntenniveau geformuleerde doelen binnen het door de sociaal werker op de stellen ondersteuningsplan zijn voorbeelden van de concretisering. Tevens is er veel aandacht voor klantervaring en klantbeleving.
18.2 Toezicht en handhaving
De organisatie en uitvoering van het Wmo toezicht
Het ministerie van VWS is gestart met het werkprogramma ‘Rechtmatige zorg, aanpak en fraude 2015-2016. Het programmaplan richt zich op het verder voorkomen en aanpakken van onrechtmatigheden in de zorg die ten laste komen van voor de zorg bestemde middelen. Het gaat hierbij om preventie en bestrijding van zowel fouten als fraude.
Het programmaplan richt zich hiernaast op een gezamenlijke aanpak door de gehele keten, waarbij een ieder vanuit de eigen rol en verantwoordelijkheid hieraan bijdraagt. Voor de gemeente betekent dit dat de gemeente invulling moet gaan geven aan de eigen rol met betrekking tot preventie, controle en handhaving om fouten te voorkomen dan wel om fraudeurs aan te pakken. Het onderscheid tussen fouten en fraude zit in het onbewust of opzettelijk regels overtreden. Bij fouten worden regels als gevolg van onduidelijkheid of vergissingen onbedoeld overtreden. Bij fraude gaat het om opzettelijk en doelbewust in strijd met de regels handelen met het ook op eigen of andermans (financieel) gewin.
Vanuit de opbrengst van het eerste congres rechtmatige zorg in Den Haag, is bepaald dat gemeenten zich zullen gaan toerusten op het voeren van preventief beleid in het kader van pgb-verstrekkingen én het leveren van input aan een informatiecentrum / expertteam van de VNG. Het expertteam zal vanuit deze input handreikingen opstellen die bepalend zullen zijn voor de wijze waarop Leeuwarden om gaat met toezichthouding binnen de Wmo en Jeugd. Op 29 oktober 2015 is de eerste voortgangsrapportage Rechtmatige zorg opgeleverd.
Leeuwarder toezicht Wmo 2017
Leeuwarden kiest voor een onderscheid in de organisatie van de taken van een toezichthoudende ambtenaar. Dit onderscheid bestaat uit een splitsing tussen taken in relatie tot de cliënt én tot de zorgaanbieder. De organisatie van taken zijn bij verschillende organisatieonderdelen belegd:
Cliënt: toezicht op oneigenlijk gebruik van maatwerkvoorzieningen en het persoonsgebonden budget. Deze taak is belegd bij de het team Handhaving van de sector Sociale Zaken. Qua proces zal, voor zover mogelijk, gelijk ingestoken worden met de handhaving zoals die uitgevoerd wordt voor Sociale Zaken. Dit binnen de grenzen van de Algemene wet Bestuursrecht, de Wmo en de Jeugdwet;
Zorgaanbieder: vaststellen of afspraken contractueel worden nageleefd en controle op kwaliteit in de breedste zin van het woord (professional, aanbieder en bestuurlijk). Binnen bedrijfsvoering is een functionaris benoemd en verantwoordelijk gemaakt voor kwaliteitsmanagement en toezichthouding. Deze persoon dient én uitvoering te geven aan de taken zoals deze voortvloeien uit de toezichthoudende functie als ook het ontvangen en doorspelen van kwaliteit gerelateerde signalen, inzetten van reviews, klantervaringsonderzoeken, visitaties, ketendoorlichting etc. Dit om zo goed mogelijk bij te kunnen dragen aan beleidsevaluatie. Hiernaast ziet deze functionaris toe op de kwaliteit van de geboden ondersteuning. Dit is een continue kwaliteitstoetsing, anders dan de cliënttevredenheid die periodiek wordt onderzocht.
18.3 Fraude en oneigenlijk gebruik
In de wet worden gemeenten de mogelijkheid geboden om fraude te bestrijden, door middel
van het expliciet benoemen van de mogelijkheden tot herzien, intrekken en terugvorderen.
Het verhalen van kosten is mogelijk in de situatie dat:
de cliënt opzettelijk onvolledige en/of onjuiste gegevens heeft verstrekt;
de cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden budget verbonden voorwaarden voldoet ;
de cliënt de maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden budget niet of voor een ander doel gebruikt.
Het college gaat in principe altijd van de cliënt en van degene die aan fraude zijn medewerking heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening of het ten onrechte genoten persoonsgebonden budget. Het moet hier gaan om situaties waarin door een cliënt, zijn vertegenwoordiger (in rechte) of een aanbieder, opzettelijk onjuiste informatie is verstrekt op basis waarvan een onjuiste beslissing tot toekenning van een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget is genomen.
Bij (eerder) geconstateerde fraude zal, bij gegronde redenen voor toekomstig misbruik, ook toekomstige weigering van een persoonsgebonden budget door de gemeente plaatsvinden.
Binnen het bestrijden van misbruik en fraude zal toezicht in deze kern de volgende taken omvatten:
het verzamelen van informatie;
het beoordelen van een individuele situatie;
het interveniëren;
het afleggen van werkbezoeken aan cliënten;
het bestuderen van het dossier;
het bestuderen van de afspraken die de gemeente (in het kader van de aanbesteding) heeft gemaakt met de zorgaanbieder;
contacten hebben met de zorgaanbieder om de afspraken en gang van zaken te verifiëren (hoor en wederhoor).
Uit oogpunt van objectiviteit en professionaliteit zullen de hiervoor genoemde taken worden gescheiden van taken (die zich meer lenen) voor het ontwikkelen van het Wmo-beleid, de inkoop en de toekenning van voorzieningen. De toezichthouder moet zijn werk, weliswaar onder uiteindelijke verantwoordelijkheid van het college, onbevangen kunnen doen.
Binnen de Wmo zal worden aangesloten bij het beleidsconcept Hoogwaardig handhaven dat ook wordt toegepast bij het toezicht in het kader van de Participatiewet.
Strafrechtelijk onderzoek is binnen de Wmo 2015 (nog) niet mogelijk. Hiervoor bestaat geen wettelijke grondslag.
18.4 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking en terugvordering
Het college zal bij geconstateerde fraude op basis van het verstrekken van onjuiste informatie door de cliënt of zijn vertegenwoordiger (in rechte), een besluit tot verstrekking van een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget geheel of
gedeeltelijk intrekken, met de volgende consequenties tot gevolg:
het persoonsgebonden budget of de kostprijs van de maatwerkvoorziening geheel of gedeeltelijk
terugvorderen;
de cliënt verplichten de maatwerkvoorziening in te leveren; en
de cliënt de mogelijkheid te bieden om zijn met het persoonsgebonden budget aangeschafte voorziening in te leveren.
Afzien van terugvordering
Er kunnen in individuele situaties dringende redenen zijn op grond waarvan van een terugvorderingsbesluit kan worden afgezien. Die dringende redenen kunnen alleen betrekking hebben op de gevolgen van de terugvordering voor een cliënt en het gezin of op de hoogte van het bedrag. Het moet in het eerste geval gaan om een zodanige bijzondere situatie dat terugvordering leidt tot onaanvaardbare financiële of sociale consequenties voor de cliënt. Lichamelijke en psychische klachten die al enige tijd bestaan en dus niet in het bijzonder het gevolg zijn van het terugvorderingsbesluit worden niet aangemerkt als dringende redenen, evenmin de hoogte van de vordering.
Omdat het college altijd bevoegd is om het terugvorderingsbeleid vast te stellen, wordt bepaald dat het college uit doelmatigheidsoverwegingen ook afziet van terugvordering wanneer het terug te vorderen bedrag minder bedraagt dan € 25, - . Dit omdat in dat geval de uitvoeringskosten hoger zijn dan het terug te vorderen bedrag.
Wanneer op grond van dringende redenen wordt afgezien van een terugvorderingsbesluit zal dit in een besluit, geen terugvorderingsbesluit, aan de cliënt kenbaar worden gemaakt. Ook als op grond van het kruimelbedrag wordt afgezien van een terugvorderingsbesluit, wordt de cliënt hier van in kennis gesteld
Invordering
De wijze van invorderen van teruggevorderde bedragen vindt plaats op basis van de vierde tranche van de Awb: bestuursrechtelijke geldschulden.
Het aflossingsbedrag zoals medegedeeld in het terug- of betalingsbesluit geldt als een opgelegde betalingsverplichting.
De termijn waarbinnen betaling moet plaatsvinden bedraagt op grond van art. 4:87 van de AwbB zes weken.
Indien het inkomen daartoe aanleiding geeft wordt de betalingsverplichting gewijzigd vastgesteld.
Voor zover de schuldenaar beschikt over activa, die nauw samenhangen met de ontstaansgrond van de vordering, wordt teruggevorderd ten laste van deze activa.
Elk voorstel van de cliënt waarbij het totaal bedrag van de nieuwe vorderingen in beginsel binnen een termijn van 36 maanden betaald wordt, wordt geaccepteerd.
Deze regel wordt alleen toegepast in de situatie dat er geen andere gemeentelijke aflossing plaatsvindt op een andersoortige vordering Participatiewet of Jeugdwet). Aflossing op vorderingen die ontstaan zijn door uitkeringsfraude binnen de Participatiewet zijn preferent. Dit geldt _alleen_ voor de situatie dat de volledig betalingscapaciteit aan wordt gesproken voor deze uitkeringsvordering. Het aflossen op een vordering ontstaan vanuit de Wmo wordt voor deze duur bevroren.
Vervolgens wordt zoveel mogelijk ineens teruggevorderd ten laste van het vermogen, waaronder wordt verstaan alle aan de cliënt in eigendom toebehorende roerende en onroerende zaken en vermogensrechten, voor zover deze na aftrek van alle schulden, uitgezonderd de gemeentelijke vorderingen, een bedrag van € 1.500,- te boven gaan.
De betalingscapaciteit in het toepasselijke inkomen is gelijk aan het gedeelte van het inkomen dat de beslagvrije voet (als basis daarvoor geldt: 90 % van de toepasselijke bijstandsnorm met eventuele gemeentelijke toeslag (inclusief vakantietoeslag) overschrijdt.
Indien en voor zover geïndiceerd wordt de beslagvrije voet conform artikel 475d, vijfde lid Rv verhoogd.
Zodra de cliënt aan zijn betalingsverplichting ten aanzien van de terugvordering heeft
voldaan, meldt het college dit bij het CAK, zodat deze de grondslag van de verschuldigde
eigen bijdrage kan corrigeren. De betaalcapaciteit voor de eigen bijdrage zal namelijk tijdens de aflossing van een vordering geringer zijn.
Bij de vaststelling van de betalingscapaciteit in het inkomen wordt rekening gehouden met de bijzondere, financiële en persoonlijke omstandigheden van de cliënt.
Strafrechtelijk onderzoek
In samenwerking met de Sociale Recherche Fryslan (SRF) zullen werkafspraken gemaakt worden om zo ook de aansluiting met Justitie te creëren. De landelijke aangiftegrenzen zijn bepalend voor de inzet van óf team handhaving of SRF.
18.5 Klachtenregeling
De behandeling van klachten in het kader van de WMO is hetzelfde als in 2016. Dit betekent dat cliënten met klachten over de WMO-instellingen allereerst contact opnemen met de WMO instelling zelf. WMO-instellingen zijn namelijk wettelijk verplicht een klachtenregeling voor cliënten te implementeren. Mocht dit niet tot een oplossing leiden, dan kan de cliënt zich wenden tot de gemeente. De gemeentelijke klachtenbemiddelaar zal dan proberen een oplossing te vinden. Direct na ontvangst van de klacht wordt er telefonisch contact opgenomen. Soms wordt ook een bemiddelingsgesprek gevoerd. Binnenkomende signalen aan het adres van de klachtenbemiddelaar kunnen ook aan het sociaal wijkteam overgedragen worden voor maximaal leereffect en afwikkeling. Algemene klachten over het WMO-beleid of de beleidsuitvoering van de gemeente kunnen niet door de klachtenbemiddelaar opgelost worden. Deze signalen worden wel doorgegeven aan de beleidsafdeling.
18.6 Vertrouwenspersoon
In de Wmo 2015 is vastgesteld dat klachtensysteem en afhandeling (en cliëntondersteuning) geborgd dienen te worden. In de huidige situatie kent de gemeente binnen de Wmo een klachtenfunctionaris. Ook voor 2016 blijft deze klachtenfunctionaris behouden. Voor zowel jeugd als voor Wmo is er een vertrouwenspersoon via Zorgbelang Fryslân georganiseerd.
18.7 Inspraak en medezeggenschap bij aanbieders
De medezeggenschap van cliënten is geregeld in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. De gemeente verplicht aanbieders contractueel de medezeggenschap van cliënten te regelen. Hiernaast vindt de gemeente Leeuwarden het van belang dat de zorginzet alleen tot stand komt met inspraak van de cliënt.
18.8 Privacy en gegevensverwerking
In de samenwerking tussen de werkers van de sociale wijkteams, de gemeente Leeuwarden en professionals van andere organisaties is het van belang om de privacy van cliënten goed te borgen. Een goede samenwerking vanuit het principe ‘één huishouden, één plan, één aanpak’ is alleen mogelijk als er op efficiënte en correcte wijze informatie met elkaar wordt gedeeld.
De gemeente Leeuwarden heeft eind 2015 samen met de coöperatie Amaryllis een privacy en triage kader ontwikkeld om ervoor te zorgen dat de privacy van de cliënt bij een integrale werkwijze goed geborgd is. Dit is op 23 juni 2015 door het college vastgesteld (B&W 402152) en daarmee van toepassing verklaard.
18.9 Meldingen/calamiteiten/escalatie
Binnen en rondom huishoudens kunnen problemen ontstaan die zodanig escaleren dat er specifieke expertise nodig is of zelfs specifiek ingrijpen noodzakelijk is. Een gezin met problemen krijgt soms hulp van (meerdere) professionals. Wanneer de problematiek complexer wordt en meerdere domeinen omvat, kan het zijn dat de uitdaging meer in het samenwerken zit, dan in het oorspronkelijke probleem van het gezin of de bewoner. Goede samenwerking is cruciaal. Het moet helder zijn wie de regie heeft wanneer problemen groter worden en wanneer opschalen of juist afschalen nodig is. Het op- en afschalen van zorg en ondersteuning behoort tot de taken van de sociaal werker in samenwerking met de expertpool en de ketenpartners. Ten behoeve van situaties die dreigen te escaleren werkt de gemeente Leeuwarden met de Aanpak ter Voorkoming van Escalatie (AVE). Deze aanpak beschrijft onder meer per fase wie operationeel en bestuurlijk verantwoordelijk zijn. De aanpak ter voorkoming van escalatie ordent bestaande systemen en routes tot een totaalaanpak. Een van die bestaande systemen is de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling. Criteria voor escalatie zijn onder andere:
Onoplosbare visie verschillen over de aanpak.
De verantwoordelijkheid is niet goed belegd.
De regie wordt niet geaccepteerd (binnen de samenwerking of door het huishouden).
Er is sprake van ernstig mijdend gedrag bij leden van het huishouden.
De samenwerking stagneert ernstig.
De kwaliteit van bepaalde samenwerkingspartijen is onvoldoende.
De AVE aanpak bestaat uit vier fases.
De eerste fase (AVE1) richt zich op preventie en het zo vroeg mogelijk signaleren van eventuele risico’s. Professionals zoals hulpverleners en de wijkagent zijn verantwoordelijk voor de professionele signalering en preventie. Maar ook burgers kunnen signalen opvangen en op de juiste plek neerleggen.
De tweede fase (AVE 2) richt zich op enkelvoudige problematiek in een huishouden die wordt opgepakt door het wijkteam, de huisarts of politie. Ook kan er al meervoudige problematiek aanwezig zijn, waardoor er eveneens gespecialiseerde deskundigen nodig zijn. De casusregie ligt bij AVE2 bij iemand uit het wijkteam.
De derde fase (AVE3) richt zich op complexe problemen op meerdere leefgebieden en de veiligheid van de betreffende persoon of omgeving is in gevaar. Het eigen werkterrein van betrokken professionals wordt overstegen. Hier wordt de processen en de procedures van het Veiligheidshuis gevolgd. Het Veiligheidshuis bepaalt wie de casusregie en de contacten met het gezin heeft.
De vierde fase (AVE4) richt zich op problemen die zo complex of groot zijn, dat de situatie totaal escaleert. Er is sprake van maatschappelijke onrust en de veiligheid van meerdere mensen zijn in gevaar. Het kan voorkomen dat situaties direct in AVE4 terechtkomen en niet eerder in beeld zijn geweest. De regie ligt bij AVE4 bij de burgemeester. Onder andere het protocol (dreiging) van maatschappelijke onrust wordt gestart.