Naar hoofdinhoud

Artikel 4.

Toegang, melding, onderzoek en aanvraag

Onderdeel van Beleidsregels WMO 2017-2

4.1 Inleiding De wet schrijft voor dat, zodra een persoon zich meldt met een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, er een onderzoek moet worden uitgevoerd. In dit hoofdstuk wordt uitgewerkt hoe de melding en onderzoek plaatsvinden. 4.2 Toegang en melding Een melding voor ondersteuning kan door of namens de bewoner worden gedaan. De wetgever schrijft niet voor wie allemaal een melding kunnen doen. Het hoeft niet persé te gaan om een vertegenwoordiger van de bewoner, maar het kan ook gaan om bijvoorbeeld de buurvrouw, een arts of een kind. Met een melding maakt de bewoner duidelijk dat hij behoefte heeft aan maatschappelijke ondersteuning. Een bewoner kan zich op diverse manieren melden met een hulpvraag: bij het KCC (Klant Contact Centrum), telefonisch of fysiek bij het loket bij het Stadskantoor; bij het sociaal wijkteam of dorpenteam; digitaal; bij de aanbieder (opvang en beschermd wonen); Voor beschermd wonen geldt dat de aanvraag altijd via het sociaal wijkteam (of zoals bij andere gemeente, gebiedsteam genoemd) loopt. Dit betreft het sociaal wijkteam (of gebiedsteam) van de gemeente waar iemand woont. Nadat de bewoner zich heeft gemeld wordt in eerste instantie door de medewerker die de melding in behandeling neemt bezien of er echt sprake is van een melding, of dat het gaat om een simpele hulpvraag die direct telefonisch of bij het eerste contact kan worden afgedaan. Een melding wordt geregistreerd en alleen als de bewoner dat wenst, wordt een bevestiging schriftelijk verstuurd (mail of post). Is een bewoner uitgebreid bekend vanwege bijvoorbeeld een recent gesprek en het opstellen van een ondersteuningsplan of betreft het een vervanging van een hulpmiddel vanwege technische mankementen en is de situatie niet gewijzigd, kan dit ook een reden zijn om af te zien van een gesprek. Dit dient altijd in overleg met goedkeuring van de bewoner plaats te vinden. Een professionele hulpverlener kan een melding ook rechtstreeks bij het sociaal wijkteam doen. Dit gebeurt altijd in overleg met de bewoner. Dit geldt ook voor beschermd wonen. 4.3 Persoonlijk plan Voorafgaand aan het gesprek bestaat de mogelijkheid om een persoonlijk plan in te dienen. Met dit plan kan de bewoner zelf zijn situatie beschrijven waar de volgende zaken naar voren kunnen komen: Welke problematiek wordt ervaren in het dagelijks leven; Wat zijn de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren; Welke mogelijkheden zijn er binnen het sociaal netwerk en welke mogelijkheden en/of algemene voorzieningen zijn al ingezet om het probleem op te lossen of te verminderen; De behoefte aan ondersteuning van de mantelzorger. Een persoonlijk plan betekent niet dat wat de bewoner aanvraagt ook wordt toegekend. Er kunnen geen rechten aan worden ontleend. Het persoonlijk plan is een omschrijving van de situatie en de mogelijkheden en onmogelijkheden die de bewoner ervaart bij het oplossen van zijn probleem en wordt meegenomen bij het opstellen van het ondersteuningsplan. In dit plan zijn dan ook goede mogelijkheden om de omvang en beperkingen van de mantelzorg te benoemen. Het persoonlijk plan dient uiterlijk binnen 7 dagen na aanmelding te worden ingediend, maar voordat een aanvraag tot stand is gekomen. 4.4 Het gesprek In het gesprek tussen bewoner en mogelijk zijn mantelzorger of vertegenwoordiger wordt de ondersteuningsbehoefte besproken, geïnventariseerd door de sociaal werker en vastgelegd in een ondersteuningsplan (verslag). Aan de hand van de ZRM (zelfredzaamheidsmatrix) en op basis van de verantwoordelijkheidsladder wordt onderzocht welke ondersteuning de bewoner nodig heeft. De ZRM geeft een beeld van de zelfredzaamheid van de bewoner op alle leefgebieden. Dit is geen indicatie-instrument, het is ondersteunend aan het bepalen van de maatwerkvoorziening. Met behulp van de verantwoordelijkheidsladder kijkt de sociaal werker eerst naar de mogelijkheden die de bewoner heeft voor het zelf vinden van oplossingen voor de ervaren beperkingen. De volgende stap zijn de mogelijkheden die er zijn in het sociale netwerk van de bewoner. Daarna naar de ondersteuning die kan worden geboden door of vanuit voorliggende voorzieningen of algemene voorzieningen. Als dat niet afdoende is om te kunnen participeren en zelfredzaam te zijn, dan behoren maatwerkvoorzieningen tot de mogelijkheden. Als laatste kan er opvang worden geboden. Het gesprek vindt veelal plaats in de thuissituatie van de bewoner. Mocht dit niet wenselijk zijn, om welke reden dan ook, dan kan dit ook op een andere plek plaats vinden. De volgende onderwerpen worden besproken tijdens het gesprek (Verordening, artikel 6): de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de bewoner; het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning; de mogelijkheden om op eigen kracht en met gebruikelijke hulp, of via algemeen gebruikelijke voorzieningen, de eigen zelfredzaamheid of participatie te handhaven of te verbeteren. Dit om te voorkomen dat bewoner een beroep moet doen op een maatwerkvoorziening; de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit het sociaal netwerk van bewoner te komen tot verbetering van de eigen zelfredzaamheid of participatie, waarbij de gemeente niet een bijdrage verlangt van mantelzorg of sociaal netwerk die ten koste gaat van baan, inkomen of welzijn van de mantelzorger of het sociaal netwerk. Dit om de ondersteuning aan de bewoner te verbeteren door inbedding in de eigen omgeving, mantelzorgers en de eigen omgeving niet te overvragen en te voorkomen dat bewoner een beroep moet doen op een maatwerkvoorziening; de (ervaren) belasting van de mantelzorger(s) en het sociale netwerk van de bewoner en de daaruit voortvloeiende behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger(s) en het sociale netwerk van de bewoner. Dit om mantelzorger(s) en het sociale netwerk van de bewoner niet te overvragen; de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of te voorkomen dat hij een beroep moet doen op een maatwerkvoorziening; de mogelijkheden om door middel van voorliggende voorzieningen of door samen met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en andere partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te voorzien in de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning; de mogelijkheid om een maatwerkvoorziening te verstrekken; welke bijdragen in de kosten de bewoner conform de Wmo dient te betalen (Wmo artikel 2.1.4), waarbij de cliënt wordt gewezen op de rekenhulp van het CAK; de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een Pgb, waarbij de bewoner in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze. Voor het onderzoek naar de ondersteuningsbehoefte van de bewoner, in de vorm van het gesprek (‘keukentafelgesprek’), geldt een behandeltijd van maximaal zes weken. In deze periode wordt niet alleen het gesprek gevoerd maar ook gekeken naar allerhande mogelijkheden en voorliggende voorzieningen die een oplossing kunnen zijn voor de beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie. Voor beschermd wonen geldt dat de zorgaanbieder het onderzoek zelf kan uitvoeren, als de bewoner daar al in behandeling is. Het resultaat dient altijd afgestemd te worden met het wijk-of gebiedsteam. Het wijk- of gebiedsteam dient een eigen oordeel te kunnen geven op basis van de geleverde informatie. 4.5 Het verslag In de verordening artikel 7, staat dat het gesprek en het vooronderzoek met een verslag afgesloten wordt, waarbij in elk onderdeel de belangrijkste punten kort worden samengevat en mogelijke oplossingen worden benoemd. Dit noemen wij het ondersteuningsplan. De bewoner zal dit verslag te allen tijde desgevraagd kunnen ontvangen. Het verslag wordt binnen 20 werkdagen na het gesprek aan de bewoner beschikbaar gesteld. Indien de gestelde termijn niet haalbaar is, wordt de bewoner geïnformeerd over de reden van vertraging. De bewoner heeft de mogelijkheid in het verslag correcties en aanvullingen aan te brengen. Deze komen niet in de plaats van het oorspronkelijke verslag, maar worden aan het oorspronkelijke verslag toegevoegd. 4.6 Ondersteuningsplan Op basis van het vooronderzoek en het gesprek stelt de sociaal werker met de betrokkene een ondersteuningsplan op waarin wordt aangegeven: in verband met welke belemmeringen ondersteuning nodig is; hierbij moet ook aandacht zijn voor samenvallende activiteiten (samenloop van verschillende soorten zorg). welke doelstelling er wordt nagestreefd met de ondersteuning; op welke wijze deze ondersteuning kan worden vormgegeven; welke afspraken er zijn gemaakt met de bewoner; indien een maatwerkvoorziening aan de orde is wordt door de sociaal werker een zwaarwegend advies opgesteld welke wordt gebruikt bij de vaststelling en het verstrekken van een maatwerkvoorziening. Kiest de bewoner voor een persoonsgebonden budget, dan wordt het goedgekeurde budgetplan toegevoegd aan het ondersteuningsplan. Dit budgetplan stel de bewoner zelf op en zo nodig kan de sociaalwerker hierbij ondersteunen. 4.7 Aanvraag Na een melding vindt, in principe, altijd een gesprek plaats. Het resultaat van dit gesprek is een ondersteuningsplan waarin de oplossingen en mogelijk de afspraken met bewoner worden benoemd. Een onderdeel van de oplossingen kan een aanvraag voor een maatwerkvoorziening zijn. De informatie uit het ondersteuningsplan wordt meegenomen in de aanvraag, dit betreft een zwaarwegend advies. Het zwaarwegend advies wordt besproken met de bewoner. De bewoner ontvangt een afschrift van het zwaarwegend advies, per mail of per post. In het zwaarwegend advies wordt opgenomen/beschreven of bewoner wel/niet akkoord is. Een handtekening onder het zwaarwegend advies kan en mag, op verzoek van de bewoner. Het is zeer wenselijk om bij niet akkoord, de bewoner te laten tekenen. De aanvraag wordt doorgestuurd naar de gemeente en zo nodig, bijvoorbeeld bij een elektrische rolstoel, vindt nog aanvullend onderzoek plaats. Voor de toegang tot beschermd wonen zie 15.2. Afhandelingstermijn onderzoek De wetgever schrijft voor dat het onderzoek naar aanleiding van de melding moet zijn afgerond door middel van een verslag binnen zes weken na de melding. In de Memorie van Toelichting is echter aangegeven dat een zorgvuldig onderzoek uitgangspunt is. Mocht omwille van deze zorgvuldigheid, bijvoorbeeld omdat informatie bij derden moet worden opgevraagd, of omdat er sprake is van een complexe hulpvraag vanuit diverse domeinen, de termijn van zes weken niet gehaald worden, dan kan de sociaal werker in overleg treden met de bewoner om deze termijn te verlengen. Dit wordt vervolgens schriftelijk bevestigd, onder vermelding van de termijn waarbinnen het onderzoek naar verwachting wel is afgerond. Beschikking De bewoner ontvangt de beslissing op zijn aanvraag op grond van de Wmo 2015, binnen 2 weken na de aanvraag, schriftelijk in een beschikking. Indien deze termijn overschreden lijkt te worden, zal op grond van de AWB de bewoner schriftelijk geïnformeerd over een verlenging of opschorting van deze termijn. De looptijd van de indicatie met uitzondering van hulpmiddelen, vervoersvoorzieningen of woningaanpassingen, betreft in principe maximaal 3 jaar. De uitzonderingen zijn niet begrensd qua looptijd. In de beschikking van een maatwerkvoorziening zorg in natura (ZIN) wordt in ieder geval vastgelegd: wat de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde resultaat daarvan is; de omvang en activiteiten van de in te zetten voorziening; wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is; hoe de voorziening wordt verstrekt (Pgb of ZIN), en indien van toepassing; welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn; welke verplichtingen de burger heeft in verband met zijn inlichtingenplicht (Wmo artikel 2.3.8). Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een Pgb wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: voor welk resultaat het Pgb kan worden aangewend; welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het Pgb; wat de hoogte van het Pgb is en hoe hiertoe is gekomen; wat de duur is van de verstrekking waarvoor het Pgb is bedoeld, en de wijze van verantwoording van de besteding van het Pgb; welke verplichtingen de burger heeft in verband met zijn inlichtingenplicht (Wmo artikel 2.3.8). Als sprake is van een te betalen eigen bijdrage wordt de bewoner daarover in de beschikking geïnformeerd. Bij een maatwerkvoorziening in natura wordt de vorm en omvang van de maatwerkvoorziening middels iWmo standaard verstuurd. Het digitaal uitwisselen van gegevens tussen gemeente en zorgaanbieders gebeurt via iWMO. Bij een verstrekking in de vorm van Pgb geldt het trekkingsrecht.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel