In het Nederlandse drugsbeleid en de Opiumwet wordt een onderscheid gemaakt tussen verdovende middelen met een onaanvaardbaar risico voor de volksgezondheid (harddrugs) en andere middelen (softdrugs). De wetgever heeft dat onderscheid gemaakt met het oog op de gebruiksrisico’s van de twee soorten drugs en om een duidelijke scheiding aan te brengen tussen beide markten. Het telen, verwerken, bezitten, verkopen, in- en exporteren van alle drugs, waaronder softdrugs (hasj en wiet), is sinds 1928 strafbaar. Dergelijke strafbare feiten kunnen dus door de officier van justitie worden vervolgd.
In de zestiger en zeventiger jaren wordt voor softdrugs in Nederland de basis gelegd voor het huidige gedoogbeleid. Worden eerst alleen huisdealers gedoogd, later strekt het gedoogbeleid zich uit over de commerciële coffeeshops. De coffeeshops zijn alcoholvrije horecagelegenheden waar handel in en gebruik van softdrugs wordt gedoogd. De achterliggende gedachte is dat voorkomen moet worden dat de cannabisgebruiker in aanraking komt met drugs met een groter gezondheidsrisico (harddrugs). In 1991 werden landelijk de zogenaamde AHOJ-G criteria formeel van kracht (later uitgebreid tot de AHOJ-GI criteria). Bij het gedogen gaat het erom dat het openbaar ministerie afziet van vervolging. Verkoop van softdrugs werd onder voorwaarden gedoogd in coffeeshops. Dit gedoogbeleid bracht het dilemma dat de verkoop van softdrugs vanuit coffeeshops werd (en wordt) gedoogd maar de inkoop en productie van de softdrugs door de exploitanten niet. Dit wordt de achterdeurproblematiek genoemd. In de aanwijzing Opiumwet is aangegeven dat het gedoogbeleid nadrukkelijk niet geldt voor de verkoop van hennepproducten vanuit andere bedrijfspanden als bijvoorbeeld café’s, winkels of afhaalcentra, via een koeriers- of taxibedrijf, een 06-nummer, postorderbedrijf of vanuit woningen.
Binnen de kaders van dit justitieel gedoogbeleid voert de burgemeester op basis van artikel 13b Opiumwet een bestuursrechtelijk gedoogbeleid. De burgemeester van Breda heeft in twee beleidsregels aangegeven hoe hij gebruik maakt van zijn bevoegdheid op grond van artikel 13b Opiumwet, te weten:
In de ‘beleidsregel artikel 13b Opiumwet niet gedoogde lokalen’ hoe hij op basis van artikel 13b Opiumwet optreedt tegen niet gedoogde lokalen bij handel van drugs in of vanuit voor publiek toegankelijke lokalen (zoals winkels en cafés), niet voor publiek toegankelijke lokalen (zoals loodsen en bedrijfsruimten) en woningen;
In deze nota Coffeeshopbeleid Breda 2017 op welke wijze hij op basis van artikel 13b Opiumwet optreedt tegen de gedoogde verkooppunten van softdrugs (coffeeshops).
Uitdrukkelijk ziet het gedoogbeleid zoals vastgelegd in deze nota, alleen op de handel in softdrugs vanuit de gedoogde coffeeshops. De coffeeshops moeten voldoen aan de strikte gedoogvoorwaarden die hierin zijn gesteld. Het betreft beleidsregels als bedoeld in artikel 4.81 Awb. Bij overtredingen van de in de nota opgenomen gedoogvoorwaarden door een coffeeshop wordt opgetreden op grond van art.13b Opiumwet.