Het (totale) drugsbeleid op (soft-) drugs in Breda heeft de navolgende strategische doelstellingen:
Beschermen van de volksgezondheid
Beheersen van de overlast en onveiligheid
Bestrijden van de (georganiseerde) criminaliteit
Om deze algemene doelstellingen van het softdrugsbeleid te realiseren wordt gekeken naar de totale keten van de softdrugs. Want op alle onderdelen van de keten zijn interventies noodzakelijk om deze doelstellingen te realiseren. Het gaat dan om de keten van gebruik, verkoop en productie. Daarbij wordt ingezet op preventie, regulering, repressie en zorg. In deze nota wordt ingezoomd op het onderdeel regulering en de bijdrage daarvan aan het bereiken van de gestelde strategische doelen. Hieronder worden kort de subdoelstellingen aangehaald ten aanzien van het onderdeel regulering in de totale aanpak zoals beschreven in de nota ‘Herijking softdrugsbeleid Breda’ (2016).
Beschermen volksgezondheid
Wat betreft de bescherming van de volksgezondheid wordt ingezet op het voorkomen van risicovol gebruik door gebruikers te behoeden voor verslaving, risicovol combigebruik en het kopen op onveilige plekken. Daarom wordt de recreatieve gebruiker een ‘veilige’ omgeving geboden waar de softdrugs kunnen worden gekocht. Een omgeving waar de gebruiker ook informatie kan krijgen over verantwoord gebruik en eventueel problematisch gebruik kan worden gesignaleerd. Ook moet hier een ‘veilig’ product te verkrijgen zijn. Gereguleerde teelt van cannabis ten behoeve van de gedoogde verkooppunten is daarvoor noodzakelijk opdat controle mogelijk is op de kwaliteit van het product.
Beheersen overlast en onveiligheid
Het is belangrijk te zorgen dat het gebruik, de verkoop en de productie van softdrugs op een veilige manier wordt gedaan zonder overlast te veroorzaken voor de omgeving. Dit kan door een gecontroleerde verkoop en productie. Om deze overlast en onveiligheid te beheersen wordt ingezet op kleinschalige verkooppunten van softdrugs voor de lokale markt (voordeur), het voorkomen dat de gedoogde verkooppunten overlast veroorzaken in de buurt en gereguleerde productie van softdrugs voor deze verkooppunten (achterdeur).
Bestrijden (georganiseerde) criminaliteit
De productie van recreatieve cannabis is nu grotendeels in handen van (georganiseerde) criminelen. Dit betekent dat ook de gedoogde verkooppunten geconfronteerd (kunnen) worden met de criminele hennepteelt en daarmee indirect ook de gebruiker. Om deze (georganiseerde) criminaliteit voor een deel de wind uit de zeilen te nemen en de gereguleerde verkooppunten te ‘decriminaliseren’, is het scheiden van gereguleerde verkoop van illegale productie nodig en het weren van criminele verbanden uit gereguleerde verkooppunten en productie.
Wat betreft het onderdeel regulering in de totale aanpak wordt gestreefd naar het verwezenlijken van een gesloten gereguleerde keten van productie, toelevering en verkoop. Maar gegeven de kaders van het landelijk gedoogbeleid is alleen regulering van de verkoop mogelijk. Het bestuurlijk gedoogbeleid heeft daarom alleen betrekking op de verkooppunten. Ook hierin is het uitgangspunt dat de coffeeshops kleinschalige verkooppunten van softdrugs moeten zijn voor de lokale markt. Breda heeft er voor gekozen om het bestuurlijk gedoogbeleid op basis van artikel 13b Opiumwet in overeenstemming te laten zijn met het landelijk gedoogbeleid als opgenomen in de Aanwijzing Opiumwet. Dit mede met het oog op de eenduidigheid in handhaving. De AHOJ-GI criteria maken dan ook deel uit van het bestuurlijk gedoogbeleid.