Gedoogcriterium 1: maximaal 8 coffeeshops
Coffeeshops moeten kleinschalige verkooppunten zijn voor de lokale markt. Met lokale markt wordt Nederland bedoeld. Het Bredase gedoogbeleid is bedoeld voor Breda.
Breda kijkt wat betreft de te bedienen lokale markt naar de stad en directe omgeving. Oosterhout en/of Bergen op Zoom en Roosendaal zijn daarin niet meegenomen, omdat deze gemeenten zelf de keuze hebben gemaakt om geen coffeeshops toe te staan op hun grondgebied. Gebruikers uit Etten-Leur en omgeving kunnen terecht bij de coffeeshop in Etten-Leur. Het aantal coffeeshops moet qua aantal zodanig zijn dat het deze lokale markt goed kan bedienen om vanuit de regulering van de voordeur daadwerkelijk bij te kunnen dragen aan de in hoofdstuk 2 genoemde doelen van het beleid. Het huidige aantal van acht coffeeshops is vanaf de eerste in Breda vastgestelde nota coffeeshopbeleid geleidelijk via een uitsterfbeleid tot stand gekomen en wordt voldoende geacht om de lokale markt te bedienen. Daarom blijft het aantal coffeeshops in Breda gemaximeerd op 8 shops in totaal.
Gedoogcriterium 2: toegang coffeeshop
De coffeeshop is alleen toegankelijk voor meerderjarige ingezetenen van Nederland. Ingezetene is een persoon die zijn woonadres heeft in een gemeente in Nederland. Zoals ook in eerdere nota’s en bij gedoogcriterium 1 aangegeven is het lokaal gedoogbeleid bedoeld voor de Bredase lokale situatie. Als grensplaats wordt Breda geconfronteerd met een ongewenst neveneffect in de vorm van drugstoerisme. Met het 0-beleid dat door de meeste omliggende gemeenten wordt gevoerd is dit in het verleden fors toegenomen en in de jaren daarna geleidelijk steeds verder te stijgen. In 2011 bleek uit metingen bijna de helft van de klanten van Bredase coffeeshops drugstoeristen te zijn. Dit was een ontwikkeling die haaks stond op de doelstellingen van het coffeeshopbeleid. Alleen door het nemen van aanvullende maatregelen was het mogelijk de overlast als gevolg van dit drugstoerisme beheersbaar te houden, maar gegeven de geleidelijke toename was dat naar verwachting niet vol te houden. Uit de metingen bleek dat na invoering van het I-criterium op 1 mei 2012 deze stroom drugstoeristen verdween en de daarmee gepaard gaande overlast. Na een korte overgangsfase met overlast door straathandel, voornamelijk veroorzaakt door het ook wegblijven van ingezetenen, bleek ook deze overlast te verminderen naar een beheersbaar niveau. Sinds het vervallen van de eis van besloten club in november 2012 komen de lokale gebruikers weer naar de coffeeshop en is de overlast fors verminderd. Het I criterium heeft, zo blijkt uit de tellingen, een positief effect op de openbare orde en het woon en leefklimaat in de stad. Gelet hierop, het belang van een eenduidige bestuursrechtelijke en strafrechtelijke handhaving en het willen meewerken aan het nakomen van verdragsrechtelijke verplichtingen door de overheid, is het I criterium opgenomen in het Bredase coffeeshopbeleid.
De controle op en het verlenen van de toegang op ingezetenschap is de verantwoordelijkheid van de exploitant.
Het ingezetenencriterium heeft niet tot gevolg dat niet-ingezetenen van Nederland, die werkzaam zijn in een coffeeshop geen toegang meer hebben tot de coffeeshops. Voorwaarde is dat de werknemers die geen ingezetene zijn zelf geen cannabis kopen in de coffeeshop. De werknemers dienen te worden opgenomen in de werknemerslijst, die onderdeel vormt van de gedoogverklaring.
Gedoogcriterium 3: vestiging in de buurt van scholen
Dit gedoogcriterium heeft betrekking op de vestiging van coffeeshops in de nabijheid van middelbare scholen. Door coffeeshops uit de buurt van scholen te weren, wordt voorkomen dat jeugdigen ongewenst in aanraking komen met (soft)drugs en de wereld rondom de handel in drugs. Al jaren hanteert de gemeente Breda een afstandscriterium van 250 meter tussen coffeeshop en middelbare school. Om die afstand te meten geldt de reëel af te leggen afstand te voet over de openbare weg tussen de voordeur van de coffeeshop tot de hoofdingang van de school. Onder middelbare scholen wordt verstaan een school van voortgezet onderwijs of middelbaar beroepsonderwijs:
Voortgezet onderwijs: onderwijs dat volgt op het basisonderwijs. Bestaat uit het praktijkonderwijs, vmbo, havo en vwo voor scholieren tot 18 jaar;
Middelbaar beroepsonderwijs: beroepsgericht onderwijs dat gevolgd mag worden na het behalen van een vmbo-diploma of hoger voor scholieren tot 18 jaar.
Er kunnen bijzondere omstandigheden zijn die aanleiding kunnen geven voor de burgemeester om gemotiveerd van dit criterium af te wijken. Deze uitzondering op gedoogcriterium 3 wordt alleen gemaakt in bijzondere omstandigheden en als geen van de andere gedoogcriteria eveneens van toepassing is. Criterium 3 is bedoeld om de zichtbaarheid van coffeeshops voor jongeren te verkleinen. De burgemeester kan in deze bijzondere gevallen aanvullende voorwaarden stellen met als doel de herkenbaarheid van de inrichting als coffeeshop van straat af te verkleinen. De daaromtrent afgesproken maatregelen worden dan opgenomen in de gedoogbeschikking en maken dan ook deel uit van de gedoogvoorwaarden.
Gedoogcriterium 4: vestiging in een woonomgeving
Om de negatieve effecten op het niveau van de buurt en straat te beperken is dit gedoogcriterium opgenomen in het coffeeshopbeleid. De vestiging van een coffeeshop kan leiden tot aantasting van het woon- en leefklimaat en zeker in woonbuurten kan dit onwenselijk zijn. Vandaar dat coffeeshops uit woonbuurten geweerd moeten worden.
Gedoogcriterium 5: vestiging binnenstad
In de binnenstad is een concentratie van horeca en aanverwante ondernemingen gevestigd, waaronder coffeeshops. De tolerantiegrenzen ten aanzien van horecazaken en coffeeshops liggen in het algemeen in de binnenstad hoger dan in het gebied buiten de singels waar hoofdzakelijk woonfuncties zijn geconcentreerd. Deze hogere tolerantiegrens is gelegen in de gecombineerde werk-, winkel- en uitgaansfunctie van de binnenstad naast de woonfunctie. Dit wordt anders indien er sprake is van een concentratie van coffeeshops of andere handelsplaatsen gerelateerd aan drugs en/of andersoortige horecabedrijven in de nabijheid zijn gevestigd.
Gedoogcriterium 6: concentratie coffeeshops
Om de overlast en negatieve effecten vanuit coffeeshops voor de buurt te beperken is het wenselijk, zeker gezien het beperkte vestigingsgebied, om coffeeshops in een concentratie te voorkomen. Dit gedoogcriterium is al sinds 1992 opgenomen in het coffeeshopbeleid van Breda. Er wordt van een concentratie gesproken als drie of meer coffeeshops zijn gevestigd binnen een straal van 300 meter van elkaar. In Breda zijn de coffeeshops redelijk verspreid over de (binnen)stad. Nergens is nu sprake van een dergelijke concentratie.
De burgemeester kan gemotiveerd van dit criterium afwijken waar het gaat om kwetsbare gebieden. De Spoorbuurt is als zo’n gebied benoemd. Dit in verband met de beoogde directe verbinding per spoor naar Antwerpen en Rotterdam en het projectgebied VAST:
Als er een rechtstreekse verbinding met België wordt gerealiseerd brengt de aanwezigheid van coffeeshops nabij het station het risico met zich mee van een aantrekkende werking op drugstoeristen uit België en Frankrijk.
Het gebied VAST heeft al jaren projectmatig aandacht om de voortdurende ernstige overlast van onder andere zwervers, drugs- en alcoholverslaafden in de omgeving van het station, waaronder de Spoorbuurt te verminderen.
In de Spoorbuurt mag daarom maar één coffeeshop zijn gevestigd
Gedoogcriterium 7: grote transacties
De verkoop van grote hoeveelheden per transactie is niet toegestaan. Dit criterium is ingegeven door het Nederlandse drugsbeleid, onder andere met als doel het beperken van het softdrugstoerisme en het gedogen van de handel en het gebruik van softdrugs op kleine schaal. Grootschalige handel heeft eveneens een negatieve invloed op het woon- en leefklimaat en kan leiden tot overlastsituaties.
Gedoogcriterium 8: geen reclame
Dit gedoogcriterium heeft tot doel ongewenste confrontaties met de handel in (soft)drugs te voorkomen. In dit kader is enkel een summiere aanduiding op de coffeeshop toegestaan. Niet toegestaan is onder andere het verspreiden van reclamemateriaal, adverteren en het maken van reclame waaronder het bekendmaken van prijslijsten naar buiten toe of via internet.
Gedoogcriterium 9: geen harddrugs
De constatering van gebruik en handel in harddrugs in of vanuit een coffeeshop is voldoende om te spreken van verstoring van de openbare orde of een aantasting van het woon- en leefklimaat in de omgeving van de inrichting. Dit is vaste jurisprudentie van de Raad van State. Gezien de grote impact van handel in harddrugs op de omgeving is een strenge handhaving noodzakelijk. Bij de constatering van harddrugs in een coffeeshop wordt dan ook onmiddellijk tot sluiting van de inrichting overgegaan. Ook indien harddrugshandel elders plaatsvindt maar blijkt dat deze in relatie staat tot de coffeeshop. Gelet op de doelstellingen van het gedoogbeleid is de aanwezigheid van (een handelshoeveelheid) harddrugs in een coffeeshop onacceptabel en leidt dit tot einde gedoogstatus.
Gedoogcriterium 10: geen ernstige overlast
De vestiging van coffeeshops kan gevolgen hebben voor het woon- en leefklimaat in de omgeving van de coffeeshop. Als er sprake is van een aantasting in zodanige mate dat ernstige overlast ontstaat dan kan de gedoogsituatie niet langer voortduren.
Onder overlast danwel aantasting van het woon- en leefklimaat wordt onder andere verstaan (niet limitatief) parkeer- en verkeersoverlast rond de coffeeshop, geluidshinder vanuit de shop of van klanten, vervuiling voor of nabij de coffeeshop in bijvoorbeeld tuinen en portieken, rondhangende klanten voor en/of in de omgeving van de shop.
Gedoogcriterium 11: grote handelsvoorraad
Doelstelling van het (Bredase) coffeeshopbeleid is onder andere het voorkomen van de groothandel in (soft)drugs. Coffeeshops zijn gericht op de kleinschalige handel in cannabis. Door het college van procureurs-generaal is landelijk de maximale handelsvoorraad gesteld op 500 gram. In de lokale driehoek kan een lager maximum worden vastgesteld. In de nota “Omgaan met drugs in de regio” (1997) voor Midden en West Brabant is voor het maximum van 500 gram gekozen. In aansluiting hierop heeft de lokale driehoek ook bewust gekozen om het maximum van 500 gram aan te houden.
De hoeveelheid van 500 gram handelsvoorraad is inclusief de aanwezige joints in de coffeeshops. Per joint wordt een hoeveelheid van 0,2 gram cannabis gerekend.
Ten aanzien van de herstelmaatregelen bij overschrijding van de handelsvoorraad wordt de te nemen herstelmaatregel qua duur gerelateerd aan de mate van overschrijding conform de eerder tussen de B5 gemaakte afspraken. Dit levert de volgende werkwijze op:
500 – 5000 gram waarschuwing
5- 10 kilo 3 maanden sluiting
10 - 15 kilo 4 maanden sluiting
15 tot 20 kilo 5 maanden sluiting
20 tot 25 kilo 6 maanden sluiting
25 tot 30 kilo 7 maanden sluiting
30 tot 40 kilo 8 maanden sluiting
40 tot 50 kilo 9 maanden sluiting
50 tot 60 kilo 10 maanden sluiting
60 tot 80 kilo 11 maanden sluiting
80 en meer 12 maanden sluiting
Bij herhaling (binnen twee jaar) van de overtreding:
500 – 1000 gram sluiting voor 1 maand
1 – 2 kilo sluiting voor 2 maanden
2 – 3 kilo sluiting voor 3 maanden
3 – 10 kilo sluiting voor 6 maanden
20 kilo of meer sluiting voor 12 maanden
Bij extreme overschrijding of bij herhaalde overtredingen (binnen twee jaar) van de handelsvoorraad (inclusief eventuele voorraden die buiten de coffeeshop zijn opgeslagen) verliest de coffeeshophouder de gedoogstatus. Als de handelsvoorraad niet meer in verhouding staat tot de omzet is er alle reden te veronderstellen dat er gehandeld wordt buiten de gedoogde inrichting om. Van een extreme overtreding is sprake bij een voorraad vanaf 20 kilo. De gedoogstatus wordt ingetrokken als er drie herhaalde overtredingen zijn geweest van tussen de 1 en 20 kilo.
Gedoogcriterium 12: slecht levensgedrag
Om aansluiting te vinden bij de Drank- en horecawetgeving wordt gebruik gemaakt van het ruime begrip ‘slecht levensgedrag’. Dit houdt onder andere in het hebben van een crimineel verleden, zoals ook expliciet in het gedoogcriterium wordt aangegeven. Er is in ieder geval sprake van slecht levensgedrag als er sprake is van een crimineel verleden verband houdende met drugshandel, heling, geweldsdelicten of (vuur)wapenhandel. De beoordeling van slecht levensgedrag heeft betrekking op alle strafbare feiten (overtredingen en misdrijven) gepleegd door betrokkene en alle veroordelingen en transacties gedurende de afgelopen 10 jaar.
Dit gedoogcriterium is van toepassing op de leidinggevenden van de coffeeshop en anderen die werkzaam zijn in de shop. Voor de definitie van leidinggevende wordt aangesloten bij de definitie in de Drank- en Horecaverordening Breda 2001.
Gedoogcriterium 13: criminele activiteiten
Uit landelijke onderzoeken is gebleken dat de cannabisbranche gevoelig is voor (georganiseerde) criminaliteit. Criminele activiteiten vanuit een coffeeshop hebben direct of indirect een negatieve uitstraling naar het woon- en leefklimaat in de omgeving van de coffeeshop. Hierdoor ontstaat er een aantasting van de openbare orde en veiligheid. Gelet hierop wordt opgetreden als in of vanuit de coffeeshop criminele activiteiten worden gepleegd zoals overtredingen van de Wet op de Kansspelen of heling. Dit naast andere feiten en omstandigheden die een gevaar opleveren voor de openbare orde.
In de regio manifesteert zich een toenemende problematiek met illegale vuurwapens en explosieven. Gewapende overvallen en straatroven, liquidaties, aanslagen, intimidaties en ripdeals zijn daar voorbeelden van. Het mag evident zijn dat dit vuurwapengeweld leidt tot een ernstige aantasting van de openbare orde en een groot gevoel van onveiligheid in de samenleving. Indien sprake is van overtredingen van de Wet Wapens en Munitie in of vanuit de coffeeshop is dit een verzwarende omstandigheid waarbij niet eerst wordt gewaarschuwd maar direct na de constatering van de overtreding wordt overgegaan tot sluiting. Zo ook bij andere ernstige criminele activiteiten zoals geweldsdelicten.
Gedoogcriterium 14: verkoop op of aan de weg of in de buurt van een school
Uit ervaringen in het verleden is gebleken dat het voorkomt dat drugshandelaren trachten softdrugs te verkopen op of aan de weg of in de buurt van scholen. Indien deze drugshandelaren hun voorraad bij de coffeeshops halen dan dient dit consequenties te hebben. Zeker nu niet ingezetenen niet meer in Nederlandse coffeeshops terecht kunnen, is er een kans dat eventueel niet ingezetenen die toch komen naar de straathandel gaan. Op de straathandel is geen kwaliteitscontrole mogelijk, daarnaast brengt de straathandel vaak overlast en criminaliteit met zich mee. Daarom dient straathandel, die in relatie staat tot de exploitatie van de coffeeshop, te allen tijde te worden voorkomen. Ook moet voorkomen worden dat jeugdigen in aanraking komen met softdrugs gezien de schadelijke effecten. De handel in de nabijheid van scholen moet dan ook worden afgewend.
Gedoogcriterium 15: overtreding sluitingstijden
Voor coffeeshops zijn strikte openingstijden vastgesteld om aantasting van het woon- en leefklimaat door overlast van aan- en afrijdende auto’s en bezoekers te voorkomen. De openingstijden voor de Bredase coffeeshops zijn van 09.00u tot 23.00u.
De burgemeester kan ontheffing verlenen van de sluitingstijd van 23.00u. Deze ontheffingsmogelijkheid betreft het verruimen van de sluitingstijd op vrijdag- en zaterdagavond tot 24.00u. Alleen coffeeshops gelegen in de binnenstad en de spoorbuurt komen in aanmerking voor een dergelijke ontheffing. Bovendien wordt aan slechts twee coffeeshops binnen de gemeente Breda een ontheffing sluitingstijden verleend. Bij het vaststellen van deze beleidsnotitie is reeds aan twee coffeeshops een ontheffing verleend. Op dit moment is er dus geen ruimte meer om ontheffingen te verstrekken. De ontheffingsmogelijkheid geldt slechts zolang in de exploitatie (zoals opgenomen in bijlage I dan wel in de te verlenen gedoogverklaring) geen wijziging komt. Bij een dergelijke wijziging kunnen de leden van de Actieve Bredase Coffeeshops (ABC) in gezamenlijk overleg een nieuwe coffeeshop voordragen.
Een verruiming van de sluitingstijd wordt vastgelegd in de gedoogverklaring. Een ontheffing geldt zolang er geen sprake is van overlast of een geringe overlast vanuit de coffeeshop. Bij toenemende onacceptabele overlast zal de ontheffing worden ingetrokken.
Gedoogcriterium 16: geen alcoholhoudende drank
De verkoop van softdrugs wordt alleen gedoogd vanuit droge horeca-inrichtingen. Dit criterium is ingegeven vanwege het versterkende effect van alcohol op de werking van drugs. Bij constatering van de aanwezigheid of verkoop van alcoholhoudende drank in de coffeeshop zal worden opgetreden.
Gedoogcriterium 17: afwezigheid leidinggevende
Het gedogen van de coffeeshop, opgenomen in de lijst van bijlage 1, is verbonden aan de exploitant zoals vastgelegd in deze lijst. De exploitant is volledig verantwoordelijk voor hetgeen er gebeurt in zijn inrichting. Ook als er een leidinggevende, niet zijnde de exploitant, is aangesteld dan blijft de exploitant volledig verantwoordelijk voor zijn inrichting. De exploitant kan zich nooit aan zijn verantwoordelijkheid onttrekken door afwezig te zijn.
Op de gedoogverklaring mogen naast de exploitant maximaal drie andere leidinggevenden worden vermeld. De exploitant en/of één van de leidinggevenden dient dagelijks aanwezig te zijn in de coffeeshop, zodat hij ook de algemene dagelijkse leiding heeft over de coffeeshop en ook werkelijk invulling kan geven aan (de afgeleide) verantwoordelijkheid van de exploitant.
Voor de definitie van leidinggevende wordt aangesloten bij de definitie zoals die is opgenomen in de Drank- en Horecaverordening Breda 2001.
Gedoogcriterium 18: geldige gedoogverklaring
De verkoop van softdrugs in coffeeshops wordt in Breda toegestaan onder strikte voorwaarden alleen in die inrichtingen, waarvan de exploitant beschikt over een gedoogverklaring. Daarbij is het uitgangspunt dat gedoogde coffeeshops kleinschalige inrichtingen moeten zijn voor de lokale markt. De coffeeshops die beschikken over een geldige gedoogverklaring mogen bij de voordeur een door de burgemeester vastgesteld vignet aanbrengen. Bij afgifte van de gedoogverklaring wordt door de burgemeester één vignet aan de coffeeshophouder verstrekt. Dit vignet moet worden verwijderd zodra de gedoogstatus komt te vervallen c.q. de gedoogverklaring komt te vervallen of wordt ingetrokken.
Preventieve interventies voor het verminderen van cannabisgebruik en het in een vroeg stadium signaleren van problemen zijn nog steeds van groot belang. Daarom is de verplichting tot preventie gekoppeld aan de gedoogverklaring om een coffeeshop te exploiteren. Bij de aanvraag van een gedoogverklaring dient de ondernemer aan te geven welke preventieve maatregelen hij neemt, welke afspraken zijn gemaakt omtrent het signaleren van en – in samenwerking met verslavingszorg – interveniëren bij problematisch gebruik en het personeel van de coffeeshop op deze terreinen deugdelijk is opgeleid.
Om de exploitatie van coffeeshops in Breda te reguleren, worden dus aan de exploitanten van de gedoogde coffeeshops gedoogverklaringen afgegeven. Een vergunning is niet mogelijk aangezien drugshandel formeel nog steeds een illegale activiteit is. Het afgeven van gedoogverklaringen biedt de mogelijkheid om nadere, specifieke eisen aan exploitanten en locaties te stellen. Ook kunnen in de gedoogverklaring maximaal drie leidinggevenden, niet-zijnde de exploitant, worden aangewezen aan wie de algemene dagelijkse bedrijfsvoering kan worden overgedragen. De coffeeshopexploitant blijft daarbij overigens altijd eindverantwoordelijk. Bij het afgeven van een gedoogverklaring wordt vooraf een integriteittoets uitgevoerd op alle personen zoals vermeld op de gedoogverklaring. Een afgegeven gedoogverklaring is niet overdraagbaar. Bij vestiging van een nieuwe coffeeshop zal een nieuwe gedoogverklaring moeten worden aangevraagd. Bij de beoordeling of wel of niet een gedoogverklaring wordt afgegeven wordt getoetst op alle hierna genoemde gedoogcriteria.
Aan een gedoogverklaring zijn de volgende voorwaarden verbonden:
Bij de exploitatie wordt het geldende coffeeshopbeleid van de gemeente Breda in acht genomen;
Bij de exploitatie worden de “Richtlijnen voor het opsporings- en strafvorderingsbeleid inzake strafbare feiten van de Opiumwet” van de procureurs-generaal van het OM in acht genomen;
Een gedoogverklaring geldt in de regel voor een periode van vijf jaar.
Indien de woon- en leefklimaatregeling voor de betreffende locatie van toepassing is dan dient de exploitant over een exploitatievergunning te beschikken. Hierop is de Bibob-toetsing van toepassing;
Er worden alleen gedoogverklaringen afgegeven voor coffeeshops met een exploitatievergunning, die op slechts één naam staat, niet voor rechtsvormen waarbij ook anderen (gedeeltelijke) zeggenschap over de coffeeshop (kunnen) hebben of een samenstel van rechtsvormen (dit om ondoorzichtige constructies te voorkomen waardoor niet duidelijk meer is wie de zeggenschap heeft);
Aan een coffeeshopexploitant wordt niet meer dan één gedoogverklaring afgegeven waarbij de gedoogverklaring in de regel geldt voor niet meer dan één coffeeshop. Het exploiteren van meerdere coffeeshops (ook buiten Breda) levert al snel strijd op met het uitgangspunt kleinschaligheid en de verantwoordelijkheid die de coffeeshophouders als verantwoordelijke in het gedoogbeleid is toebedeeld.
Alle personeelsleden dienen in de gedoogverklaring te worden vermeld; iedere wijziging in het personeelsbestand dient te worden doorgegeven.
De coffeeshophouder brengt bij de ingang van de coffeeshop een bord aan met toelatingseisen op een voor het publiek vanaf de straat zichtbare plaats;
De coffeeshophouders stelt huisregels op en brengt deze in de zaak aan op een voor de klanten zichtbare plaats en draagt zorg voor de handhaving daarvan;
De coffeeshophouder draagt er zorg voor dat in de shops aanwezig zijn voorlichtingsmateriaal over verantwoord gebruik van cannabis en voorlichtingsmateriaal over verslaving;
Alle personeelsleden moeten aantoonbaar een opleiding, training of cursus hebben doorlopen op de terreinen van productkennis, herkennen verslaving, weerbaarheid, ID herkenning en BHV. Dit aan te tonen met een bewijs van deelname of certificaat van een door de burgemeester akkoord bevonden organisatie. De burgemeester geeft op aanvraag van de coffeeshophouder aan of een voorgenomen opleiding, training of cursus op voornoemde terreinen naar zijn oordeel voldoet qua onafhankelijkheid, deskundigheid en professionaliteit.
Algemene voorwaarden gedoogverklaring coffeeshop zoals opgenomen in de gedoogverklaring zelf.
In de gedoogverklaring wordt aangegeven in welke gevallen de gedoogverklaring vervalt of wordt ingetrokken.
Gedoogcriterium 19: Overgangsregeling
Voor een beperkt aantal situaties die bij het vaststellen van dit beleid in strijd zijn met de gedoogcriteria, wordt de navolgende overgangsbepaling vastgesteld.
Tegen bestaande coffeeshops die voor sluiting in aanmerking komen uitsluitend op grond van overtreding van gedoogcriterium 3 (nabij middelbare school), 4 (woonwijk) en 5 (in binnenstad) zal niet met een sluitingsbevel worden opgetreden zolang in de exploitatie zoals aangegeven in bijlage 1 danwel in de te verlenen gedoogverklaring, geen wijziging komt.