In artikel 2.1.3, tweede lid, onder a, van de wet is bepaald dat de raad bij verordening moet aangeven op basis van welke criteria het Dagelijks Bestuur kan vaststellen of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt. In de memorie van toelichting op deze bepaling (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 134) wordt aangegeven dat het bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening op maatwerk aankomt. Gemeentelijke vrijheid is nodig omdat de behoeften van inwoners per gemeente kunnen verschillen en de sociale en fysieke infrastructuur per gemeente anders is. Ook het aanbod van algemene voorzieningen is niet in iedere gemeente gelijk. Het is daarom niet mogelijk of wenselijk dat in de verordening limitatief wordt geregeld welke maatwerkvoorzieningen zullen worden verstrekt. De gemeente moet wel aan de hand van geschikte en toepasbare criteria meer in detail en concreet nader afbakenen in welke gevallen iemand een maatwerkvoorziening kan krijgen. In dit artikel is deze verplichting uitgewerkt. Het tweede tot en met vijfde lid is gebaseerd op artikel 2.3.5 derde en vierde lid van de wet.
Met onderzoek in het derde lid wordt gedoeld op het onderzoek genoemd in artikel 2.3.2 lid 4
4. Het college onderzoekt:
a. de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de cliënt;
b. de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;
c. de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;
d. de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt;
e. de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, onderscheidenlijk de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;
f. de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid, zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang;
g. welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4, verschuldigd zal zijn.
Zesde lid; het criterium ‘voorzienbaarheid’ staat niet letterlijk in de wettekst van de Wmo 2015 genoemd en in de jurisprudentie op basis van de huidige Wmo nog geen eenduidigheid bestaat over de reikwijdte en het toepassingsbereik van dit criterium. De grondslag voor deze bepaling is artikel 2.1.3, tweede lid, aanhef en onder a, van de wet, waarin is bepaald dat de raad in de verordening bepaalt op basis van welke criteria wordt vastgesteld of een cliënt voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komt. In de memorie van toelichting wordt bij artikel 2.3.5, derde lid, van de wet (Kamerstukken II 2013-14, 33 841, nr. 3, p. 148) vervolgens aangegeven dat de maatwerkvoorziening nadrukkelijk een hekkensluiter is:
“Alleen wanneer iemand echt niet zelf of met hulp van zijn omgeving in staat is tot zelfredzaamheid of participatie en ook een algemene voorziening geen uitkomst biedt, is er een rol voor het college. Dat is niet het geval wanneer het gaat om diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen of andere maatregelen die naar hun aard gebruikelijk zijn (fiets, schoonmaakmiddelen, wandelstok, eenvoudige rollator). Wanneer iemand beschikt over algemeen gebruikelijke zaken, maar deze in verband met zijn beperking of problemen niet meer afdoende zijn, kan aanleiding bestaan om een voorziening te treffen. Dat is ook niet het geval als de aanvrager zijn hulpvraag redelijkerwijs van te voren had kunnen voorzien en met zijn beslissing had kunnen voorkomen, bijvoorbeeld: indien iemand is aangewezen op een rolstoel en een huis koopt waarin veel dure aanpassingen moeten worden aangebracht, had het in de rede gelegen dat de aanvrager in een al aangepast huis zou zijn gaan wonen.”
De memorie van toelichting biedt dus aanknopingspunten om het begrip ‘voorzienbaarheid’ in individuele gevallen een rol te laten spelen bij de afwijzing van een voorziening. Uit de nadere memorie van antwoord (Kamerstukken I 2013-14, 33841, nr. J, p. 18) blijkt verder dat de wetgever ook heeft willen aansluiten bij de huidige rechtspraak op dit punt. We gaan er dan ook vanuit dat de wetgever heeft beoogd dat het begrip ‘voorzienbaarheid’ in individuele omstandigheden een rol kan spelen.
Om ‘voorzienbaarheid’ mee te laten wegen bij het al dan niet verlenen van een maatwerkvoorziening, dan is het gelet op artikel 2.1.3, tweede lid, aanhef onder a, van de wet, de genoemde wetsgeschiedenis en de huidige jurisprudentie noodzakelijk een expliciete grondslag te hebben voor afwijzing van een maatwerkvoorziening waarbij de ‘voorzienbaarheid’ een rol speelt. Het zesde lid voorziet in een dergelijke grondslag.
Gelet op de noodzaak tot een individuele beoordeling is het zesde lid als ‘kan-bepaling’ vormgegeven. Een categorale afwijzingsgrond is niet mogelijk. Evenmin is een (verkapte) inkomenstoets mogelijk, immers eenieder kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening. Inkomen en vermogen kunnen alleen een rol spelen bij de vaststelling van de bijdrage in de kosten (artikel 7).