Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 5

De berekening van de hoogte van de boete

Onderdeel van Beleidsregels Bestuurlijke boete PW, IOAW en IOAZ 2017

1.. De hoogte van de boete wordt bepaald in artikel 18a Pw, 20a van de IOAW, artikel 20a van de IOAZ en het Boetebesluit. 2.. Met inachtneming van de bepalingen in de Pw, IOAW en IOAZ vloeit de verplichting om de hoogte van de boete verder af te stemmen op de aard en ernst van de overtreding, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden voort uit het evenredigheidsbeginsel van artikel 5:46, tweede lid, Awb. 3.. De toets aan het evenredigheidsbeginsel houdt in ieder geval in dat bij het bepalen van de hoogte van de boete rekening wordt gehouden met het feit dat de boete binnen een redelijke termijn van maximaal 24 maanden kan worden afbetaald. 4.. De redelijke termijn als bedoeld in het tweede lid bedraagt in het geval van: opzet: 24 maanden; grove schuld: 18 maanden; normale verwijtbaarheid: 12 maanden; verminderde verwijtbaarheid: 6 maanden. 5.. De peildatum voor de berekening van het inkomen is de dag waarop het besluit wordt genomen. 6.. Met inkomen in de zin van dit artikel wordt bedoeld: het volledige bedrag van het inkomen boven 90% van de toepasselijke uitkering, ongeacht of er andere betalingsverplichtingen zijn. 7.. Het vermogen kan buiten beschouwing worden gelaten. 8.. Na berekening van de boete wordt de uitkomst afgerond op een veelvoud van € 10,- naar beneden. 9.. De bepalingen in dit artikel zijn ook van toepassing als er sprake is van recidive.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel