**1..** De mogelijkheid om uit te gaan van verminderde verwijtbaarheidssituaties wordt bepaald in artikel 2, lid 5, en 2a, lid 2, Boetebesluit.
**2..** Met inachtneming van de bepalingen in het Boetebesluit wordt in ieder geval in de volgende situaties uitgegaan van verminderde verwijtbaarheid:
de belanghebbende verkeerde in onvoorziene en ongewenste omstandigheden, die niet tot het normale levenspatroon behoren en die hem weliswaar niet in de feitelijke onmogelijkheid brachten om aan de inlichtingenverplichting te voldoen, maar die emotioneel zo ontwrichtend waren dat hem niet volledig valt toe te rekenen dat de inlichtingen niet tijdig of volledig zijn verstrekt;
de belanghebbende verkeerde in een zodanige geestelijke toestand dat hem de overtreding niet volledig valt aan te rekenen;
de belanghebbende heeft wel inlichtingen verstrekt, die echter onjuist of onvolledig waren, of heeft anderszins een wijziging van omstandigheden niet onverwijld gemeld, maar uit eigen beweging alsnog de juiste inlichtingen verstrekt voordat de overtreding is geconstateerd, tenzij de belanghebbende deze inlichtingen heeft verstrekt in het kader van toezicht op de naleving van een inlichtingenverplichting;
de overtreding van de inlichtingenverplichting of hoogte van het benadelingsbedrag is mede te wijten aan het college;
er is sprake van een samenloop van omstandigheden die elk op zich niet, maar in hun onderlinge samenhang beschouwd wel leiden tot het oordeel dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid.
Hoofdstuk
Artikel 6
Verminderde verwijtbaarheid
Onderdeel van Beleidsregels Bestuurlijke boete PW, IOAW en IOAZ 2017