**1..** De hoogte van de maandelijkse aflossingscapaciteit bij beëindiging of intrekking van de uitkering wordt gedurende 12 maanden na de verzenddatum van dit besluit tot beëindiging of intrekking, gesteld op het bedrag dat belanghebbende maandelijks al afloste tijdens de uitkeringsperiode.
**2..** Na afloop van de in lid 1 genoemde termijn, wordt bij alle vorderingen van de debiteur de hoogte van de maandelijkse aflossingscapaciteit vastgesteld op het bedrag als bedoeld in artikel 12, eerste lid, vermeerderd met 35% van het bedrag waarmee het inkomen inclusief vakantiegeld meer bedraagt dan de van toepassing zijnde bijstandsnorm inclusief vakantiegeld, dan wel IOAW- of IOAZ-grondslag inclusief vakantiegeld.
**3..** Indien de terugvordering een fraudevordering betreft bedraagt het in het tweede lid genoemde percentage 50%.
**4..** Het bedrag van de maandelijkse aflossingscapaciteit onder het tweede en derde lid:
is niet meer dan het bedrag dat ingevolge het bepaalde in het tweede boek, de tweede titel, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voor beslag in aanmerking zou komen;
kan het college lager vaststellen indien sprake is van bijzondere omstandigheden.
HOOFDSTUK 3
Artikel 13.
Vaststelling van de duur en de hoogte van de maandelijkse aflossingscapaciteit bij debiteuren die geen recht (meer) hebben op een uitkering.
Onderdeel van Beleidsregels Terug- en invordering Participatiewet, IOAW en IOAZ 2017.