Collectief vervoer
Collectief vervoer is een uitsluitend voor pashouders toegankelijk vervoerssysteem waarbinnen mensen op afroep zittend worden vervoerd van deur-tot-deur. Indien na onderzoek naar de gehele situatie van de cliënt, is gebleken dat de voorziening de cliënt voldoende compenseert in zijn belemmeringen op het vervoersgebied, ligt hierbij het primaat.
Voor de collectieve vervoersvoorziening gelden de volgende bepalingen:
De Wmo-geïndiceerde reiziger is een betaling verschuldigd voor het vervoer met het collectief vervoer, waarbij het tarief gebaseerd is op het reizigerstarief van het openbaar vervoer.
De betaling van de Wmo-geïndiceerde reiziger wordt door de vervoerder in ontvangst genomen, in naam en voor rekening van de gemeente die het vervoer aanbiedt.
Kinderen tot vier jaar mogen gratis mee.
Er mag een reiziger voor begeleiding meereizen tegen hetzelfde tarief als van toepassing voor de Wmo-geïndiceerde reiziger.
Indien sprake is van het meereizen van een medische begeleider, op grond van een daartoe verstrekte indicatie, wordt geen tarief aan de begeleider in rekening gebracht.
Het reizen met de collectieve vervoersvoorziening voor het gereduceerd tarief is beperkt tot maximaal 1.500 km per jaar.
Het maximum aantal te verstrekken kilometers wordt vastgesteld op basis van de individuele situatie van de cliënt, waarbij rekening wordt gehouden met andere vervoersmogelijkheden van de cliënt.
De scootmobiel mag alleen in de taxi worden meegenomen, op grond van een daartoe verstrekte indicatie, indien de bestemming tenminste 10 kilometer vanaf de vertrekplaats is gelegen.
Het lokaal Wmo-vervoer is beperkt tot een afstand van maximaal 30 kilometer, waarbij het begin-of eindpunt van de rit op Goeree-Overflakkee moet liggen.
b. Autoaanpassing
Een mogelijke, doch niet veel voorkomende individuele voorziening, welke in natura verstrekt wordt is de autoaanpassing. In de regel zal deze verstrekt worden in de vorm van een persoonsgebonden budget of financiële tegemoetkoming.
Bij een beoordeling van een verzoek om vergoeding van noodzakelijk geachte autoaanpassingen, dient in eerste instantie te worden beoordeeld of de gewenste aanpassing de goedkoopst adequate voorziening is. Daarbij mag er niet voetstoots van worden uitgegaan dat de toegang tot het collectief vervoer voorliggend is, als iemand hier op grond van zijn of haar beperkingen gebruik van zou kunnen maken. Met de introductie van het compensatiebeginsel in de Wmo, dient de gemeente te beoordelen of in de uitgangspositie van de aanvrager andere voorzieningen niet meer adequaat zijn. Inmiddels is uit jurisprudentie van de CRvB duidelijk geworden, dat bij een aanvrager welke reeds in het bezit is van een auto, afgewogen dient te worden of compensatie middels het aanpassen van de aanwezige auto niet evenveel of meer compensatie biedt van de ervaren beperkingen.
Tevens dient de persoonlijke situatie van de aanvrager in de afweging meegenomen te worden. Met name de gezinssituatie kan daarin van belang zijn. Zeker in een situatie dat de aanvrager reeds een eigen auto bezit, en deel uitmaakt van een gezin met minderjarige kinderen, en/of zijn vervoersbehoefte voor een niet onaanzienlijk deel samenvalt met de vervoersbehoefte van overige gezinsleden, is de toegang tot het collectief vervoer niet als adequaat aan te merken. In zo’n geval ligt het verstrekken van een financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden budget om de auto geschikt te maken in de rede.
Aan het verlenen van een persoonsgebonden budget of financiële tegemoetkoming dienen enige voorwaarden te worden verbonden. Zo dient de belanghebbende zelf na te gaan of de autoaanpassing dient te leiden tot een aantekening in het rijbewijs, en dit te verzorgen indien noodzakelijk. Dit geldt tevens voor het tijdig laten keuren van de gerealiseerde autoaanpassingen. Tenslotte mag de gemeente, uit oogpunt van het voorkomen van kapitaalsvernietiging verlangen dat de aan te passen auto naar algemeen geldende maatstaven nog een levensduur zal hebben dat het uit financieel oogpunt verantwoord is de aanpassingen aan te (laten) brengen. Aangezien verwacht mag worden dat autoaanpassingen zelf tenminste een levensduur van 5 jaar hebben, mag ook ten aanzien van de aan te passen auto de eis gesteld worden dat deze nog tenminste vijf jaar mee kan.
c. Scootmobiel of andere vergelijkbare voorziening
Wanneer in natura of middels een persoonsgebonden budget een scootmobiel (of vergelijkbare voorziening) wordt verstrekt, is het niet onverstandig voorwaarden met de belanghebbende af te spreken waaronder de verstrekking plaats vindt. Deze voorwaarden worden gesteld met het doel de verwachte levensduur te waarborgen. Ten aanzien van het gebruik van de voorziening worden diverse voorwaarden opgenomen in de bruikleen- of pgb-overeenkomst.
Aanvullend kan in zijn algemeenheid als uitgangspunt worden genomen dat een scootmobiel gestald dient te worden in een daarvoor geschikte, overdekte, geventileerde en van elektrische aansluiting voorziene ruimte. Doorgaans is een dergelijke ruimte bij een woning aanwezig, in de vorm van een garage, schuur, berging of bijkeuken. In enkele gevallen ontbreekt een dergelijke ruimte bij een woning. Dit kan aanleiding zijn om een financiële tegemoetkoming te verstrekken voor het realiseren van een eenvoudige stalling. Hier is dan sprake van een voorziening van bouwkundige of woontechnische aard. Als alternatief behoort ook bruikleenverstrekking van een zogeheten scootsafe tot de mogelijkheden.
Van een belanghebbende mag verwacht worden dat hij bij de inrichting van zijn woning en bijgebouwen ruimte creëert, waar zijn of haar scootmobiel op verantwoorde manier gestald kan worden. Dit betekent dat geen extra voorziening getroffen wordt wanneer een adequate berging wel aanwezig is, maar door de belanghebbende voor andere doeleinden gebruikt wordt. In dergelijke gevallen wordt als uitgangspunt genomen dat door herschikking van de inrichting de aanwezige adequate ruimte beschikbaar wordt gemaakt.
Hoofdstuk 3.
Artikel 3.4
Vervoersvoorzieningen
Onderdeel van Beleidsregels Wet maatschappelijke ondersteuning 2016