Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3.

Artikel 3.5

Begeleiding

Onderdeel van Beleidsregels Wet maatschappelijke ondersteuning 2016

Nieuw in de Wmo is het product begeleiding. Begeleiding kan zowel individueel als in groep worden geboden. Begeleiding is het ondersteunen bij of oefenen met vaardigheden of handelingen, het aanbrengen van structuur of het voeren van regie. Dit alles is gericht op het behoud van zelfredzaamheid, zonder begeleiding zou een cliënt in een instelling verblijven óf verwaarlozen. Een begeleider kan ook het toezicht overnemen (vaak bij kinderen). Begeleiding kan worden ingezet bij beperkingen op het terrein van: Sociale redzaamheid Bewegen en verplaatsen (Wmo en behandeling voorliggend) Psychisch functioneren Geheugen en oriëntatie (inclusief licht verstandelijk beperkten) Matig/zwaar probleemgedrag Doel versterken of behoud van de zelfredzaamheid en participatie en het voorkomen van een opname of verwaarlozing; Ambulante begeleiding Bij de individuele begeleiding, ook wel ambulante begeleiding genoemd, is dat de ondersteuning geboden wordt in de eigen leefwereld van de cliënt en gericht is op het individu in samenhang met de leefeenheid en het sociaal netwerk. De ondersteuning is gericht op het behouden dan wel bevorderen van de zelfredzaamheid in de thuissituatie van de cliënt. Groepsgerichte begeleiding en dagbesteding Kenmerkend voor groepsgerichte ondersteuning en dagbesteding is dat de ondersteuning geleverd worden in groepsverband. De grootte van de groep dan wel de activiteitenlocatie worden in samenspraak met de cliënt bepaald. Dit kan zowel een locatie van de opdrachtnemer zijn als een publiek beschikbare ruimte. Tevens geldt voor beide producten dat het een integraal aanbod behelst, inclusief eventuele noodzakelijke persoonlijke verzorging. Met dien verstande dat uit hoofde van die te leveren prestatie ook persoonlijke verzorging vereist is. Met het product groepsgerichte ondersteuning ligt de nadruk op de invulling van de dag waarin het behouden en bevorderen van de zelfredzaamheid en participatie op de voorgrond staan. In het product dagbesteding ligt nadrukkelijk de koppeling met het arbeidsvermogen van de cliënt. De ondersteuning is gericht op het bevorderen van de zelfredzaamheid, participatie en het ontlasten van de mantelzorgers. De Wmo-consulent bepaalt de toegang tot de dienstverlening ambulante begeleiding of groepsbegeleiding/dagbesteding. Het kan ook zijn dat er een combinatie noodzakelijk is. In aanvulling op de producten ‘groepsgerichte ondersteuning’ en ‘dagbesteding’ worden voorwaardelijk de vervoersbewegingen van het verblijfadres naar het activiteitenadres beschikbaar gesteld door aanbieder. Vervoer De Wmo-consulent beoordeelt of er sprake is van een medische reden, waardoor een persoon die aanspraak maakt op de groepsgerichte begeleiding dan wel de dagbesteding, ook is aangewezen op vervoer. De omvang van het vervoer is gerelateerd aan de omvang van de begeleiding welke door de zorgaanbieder, in samenwerking met de cliënt wordt ingericht. De gemeente beschikt de toegang van vervoer in combinatie met dagbesteding op basis van het trechtermodel. Wanneer voor de persoon mantelzorg vrijwillig beschikbaar is, kan dat deel van de zorgaanspraak door de Wmo-consulent opgenomen worden in het ondersteuningsplan. Daar hoeft geen professionele zorg voor ingezet te worden. Vervoer kan een meer tijdelijke indicatie hebben dan bijvoorbeeld de begeleiding wanneer er sprake is van een lerend vermogen bij de aanbieder Er wordt geen toezicht tijdens het vervoer worden geïndiceerd. De zorgaanbieder past het niveau van het vervoer aan de cliënten. Ziekte/aandoening/stoornis Objectiveren Het aanwezig zijn van een ziekte/aandoening, beperking of handicap bepaalt of sprake is van een grondslag en daarmee van toegang. Om de zorgvraag te objectiveren wordt door de Wmo consulent gekeken naar de samenhang tussen (de gediagnosticeerde) ziekte/aandoening, stoornis, handicap of beperking. De aanspraak wordt vervolgens bepaald door de ernst van de stoornissen en beperkingen én door persoonlijke omstandigheden (waaronder mantelzorg) en/of voorliggende voorzieningen. Aan een zorgvrager kan verzocht worden een aanvraag de nodige medische documenten/bewijzen te overhandigen. Bij twijfel door de Wmo-consulent kan er een medisch advies opgevraagd worden. Doelgroepen • Somatisch/psychogeriatrisch (ouderen); • Psychiatrisch • Verstandelijke, lichamelijke of zintuigelijke Onderscheiden jong volwassenen 18-23 jr en palliatieve groep? Diagnose en deskundige Anders dan in de AWBZ is de diagnose niet leidend maar kan een diagnose handig zijn om te weten hoe bijvoorbeeld de begeleiding ingezet moet worden.  In beginsel geldt dat een diagnose en informatie over stoornis door een terzake deskundige moet zijn vastgesteld. Aan een zorgvrager kan derhalve verzocht worden bij een aanvraag de nodige medische documenten/bewijzen te overhandigen. huisarts specialist Gz psycholoog orthopedagoog Verpleegkundig specialist somatisch x x x psychogeriatrisch x x x*** psychiatrisch x x x x lichamelijk x x verstandelijk x x x x zintuigelijk x x De huisarts kan de diagnose pas stellen na onderzoek en/of consultatie van een ter zake deskundige medische specialist. *** bij de diagnose dementie zal een steeds ook een arts betrokken moeten zijn. Wanneer er sprake is van meerdere grondslagen wordt de begeleiding gericht op de zwaarstwegende actuele beperkingen in relatie tot de geobjectiveerde zorgbehoefte. Beperkingen Hieronder wordt een logisch verband gelegd tussen de terminologie van de internationale classificatie van het menselijk functioneren en zelfredzaamheid. De International Classification of Functioning (ICF) maakt onderscheid in de volgende gebieden: 1. leren en toepassen van kennis (d1); 2. algemene taken en eisen (d2); 3. communicatie (d3); 4. mobiliteit (d4); 5. zelfverzorging (d5); 6. huishouden (d6); 7. tussenmenselijke interacties en relaties (d7); 8. belangrijke levensgebieden (opleiding, beroep en werk, economisch leven, waaronder ook vrijwilligerswerk) (d8); 9. maatschappelijk, sociaal en burgerlijk leven (d9). Bij begeleiding gaat het echter om de zelfredzaamheid op de gebieden 1, 2, 3, 4 en 7. Beperkingen op gebied 5 worden voornamelijk gecompenseerd door de functies Verpleging, Persoonlijke Verzorging en op gebied 6 door de Wmo (huishoudelijke hulp). De beperkingen op de gebieden 8 en 9 zijn beperkingen op het gebied van participatie (integratie in de samenleving) en vallen dus niet (meer) onder Begeleiding. Het betreft situaties waarin het niet mogelijk is de beperkingen te genezen of te verbeteren, en het ook niet mogelijk is de persoon zo met de gevolgen van die beperkingen om te leren gaan dat hij zelfstandig kan functioneren. In die gevallen gaat het om het overnemen van verloren functionaliteit. Omgeving/netwerk Gebruikelijke zorg In kortdurende situaties moet alle begeleiding door de gebruikelijke zorgen worden geboden. In langdurige situaties is dat de zorg waarvan kan worden gezegd dat deze op basis van algemeen aanvaarde maatstaven door de sociale omgeving moet worden geboden. Oftewel gebruikelijke begeleiding. Bij gebruikelijke zorg wordt gekeken naar welke tijdsbesteding bij een activiteit bij een gemiddeld persoon gebruikelijk is. Daarbij omvat gebruikelijke zorg de zorg die iedereen nodig heeft (wassen, eten en dergelijke)maar ook de zorg die deze activiteiten in verband met gezondheidsproblemen vervangt. Denk hierbij aan stomaverzorging in plaats van toiletgang en sondevoeding in plaats van eten. Gebruikelijke zorg kan niet geleverd worden wanneer: Wanneer partner, ouders, kind en/of elke andere huisgenoot geobjectiveerde beperkingen heeft en of kennis/vaardigheden mist. Voor zover een gebruikelijke zorger overbelast is of dreigt te raken wordt er geen begeleiding verwacht totdat de overbelasting of dreiging daarvan is opgeheven. Gebruikelijke zorg leveren gaat voor op het leveren van maatschappelijke activiteiten bij overbelasting. Betaald werk en school gaat voor op gebruikelijke zorg bij overbelasting. Voor zover de cliënt zich in de terminale levensfase bevindt, wordt geen bijdrage verwacht. Waar mogelijk wordt zo veel als mogelijk het sociaal netwerk ingezet om de vraag naar professionele betaalde ondersteuning te doen afnemen. Voorliggende voorzieningen Behandeling Alvorens begeleiding te verstrekken is het van belang dat wordt onderzocht wat de mogelijkheden van behandeling zijn. De stelregel hierbij is dat als verbetering van functioneren of handelen (vaardigheden) nog mogelijk is, eerst behandeling wordt ingezet. Het is uiteraard niet aan de Wmo consulent om dit te bepalen. Hiervoor kan de medisch adviseur (onafhankelijk arts) ingeschakeld worden. Behandeling kan worden geboden door bijvoorbeeld: ergotherapeut, psycholoog, specialist ouderen geneeskunde of in een revalidatiecentrum of een centrum gespecialiseerd in bepaalde problematiek (zoals een reuma-centrum). Behandeling is gericht op: het verbeteren van de aandoening/ stoornis/beperking, het aanleren van nieuwe vaardigheden of gedrag of nadere functionele diagnostiek. Diagnose Anders dan in de AWBZ is de diagnose niet leidend maar een diagnose is doorgaans wel vereist om behandeling in te kunnen zetten en/of om te bepalen hoe begeleiding de behandeling eventueel kan versterken (en niet contra- productief is). Begeleiding kan wel worden ingezet om de tijdens behandeling geleerde vaardigheden te oefenen of in te slijten. Soms kan begeleiding en behandeling ook tegelijkertijd worden ingezet; dan neemt de begeleiding de taak tijdelijk over, totdat deze tijdens behandeling is aangeleerd. Uiteraard dient er hierover een goede afstemming tussen behandelaar en begeleider plaats te vinden. (Wettelijk) voorliggende voorzieningen Er zijn (wettelijke) arbeidsvoorzieningen waar eerst een beroep op kan worden gedaan alvorens de maatwerkvoorziening “begeleiding” wordt overwogen. Op grond van ziektewet, WIA, Wajong en WSW zijn er mogelijkheden voor aangepast werk. Het uitgangspunt is dat als aangepast werk of speciaal onderwijs op grond van genoemde regelingen niet mogelijk is dat dan begeleiding groep (dagbesteding) kan worden overwogen. Algemeen gebruikelijke voorzieningen en gebruikelijke hulp Wanneer mensen een beperking hebben wordt bij activiteiten van het dagelijks leven en vrijetijdsbesteding vaak gedacht aan Begeleiding waar voorliggende voorzieningen mogelijk zijn of het gewoon de verantwoordelijkheid is van de cliënt of zijn huisgenoten. Er zijn veel algemeen beschikbare en redelijke oplossingen voorhanden (die mensen zonder beperking ook zelf moeten regelen of betalen). Voorbeelden van algemeen gebruikelijke voorzieningen: Activiteiten zoals computercursus of taalles Alarmering Pictogrammenbord of domotica in huis Gezelschap of ondersteuning door vrijwilliger Dagopvang/huiskamerproject Kinderopvang Goedkoopst adequaat Ook voor de inzet van de begeleiding kan betekenen dat er een ander soort ondersteuning wordt geïndiceerd om uiteindelijk hetzelfde resultaat, te weten het stimuleren van de zelfredzaamheid, ontlasten mantelzorg dan wel de participatie, kan worden bereikt. Dit kan bijvoorbeeld betekenen dat eerder hulp bij het huishouden wordt geïndiceerd in plaats van extramurale begeleiding.

Rechtspraak bij dit artikel