**1..** Bij de aflossingsverplichting met betrekking tot inkomen geldt als basis dat 10% van de laatst van toepassing zijnde uitkeringsnorm per maand inclusief vakantiegeld wordt afgelost.
**2..** Als het inkomen inclusief vakantiegeld, meer dan € 100,-- per maand hoger is dan de laatst van toepassing zijnde uitkeringsnorm inclusief vakantiegeld, wordt de aflossingsverplichting verhoogd met 35% van het meer-inkomen boven de uitkeringsnorm als bedoeld in het eerste lid.
**3..** Bij de invordering van fraudevorderingen wordt het in het tweede lid genoemde percentage verhoogd tot 50%.
**4..** In afwijking van het eerste tot en met het derde lid kan met een betalingsvoorstel van de debiteur worden ingestemd voor zover daarmee de vordering binnen een periode van 36 maanden in zijn geheel zal kunnen worden afgelost, de voorgestelde aflossing ten minste € 25,-- per maand bedraagt, en het betalingsvoorstel vervalt zodra de debiteur in surseance van betaling verkeert, op zijn inkomen en/of vermogen beslag wordt gelegd dan wel hij in staat van faillissement wordt verklaard. Het betalingsvoorstel wordt vervolgens als een aflossingsverplichting vastgelegd in een beschikking.
**5..** Dit artikel is ook van toepassing op invordering van vorderingen ontstaan uit:
Voorschotten;
Onverschuldigde betalingen;
Boetes.
Hoofdstuk 2
Artikel 7
Aflossingsverplichting debiteuren zonder uitkering
Onderdeel van Beleidsregels terug- en invordering Participatiewet, IOAW EN IOAZ 2017 (Debiteurenbeleid 2017)