4.1 Artikel 2.33, lid 2, onder a, van de Wabo
Artikel 2.33, lid 2, onder a, van de Wabo geeft het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid een verleende omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen geheel of gedeeltelijk in te trekken als er niet binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de verkregen omgevingsvergunning een begin is gemaakt met de verleende activiteit of als de activiteit langer dan 26 weken heeft stilgelegen.
4.2 Intrekkingsregeling bij uitblijven aanvang bouw
Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd om een verleende omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen geheel of gedeeltelijk in te trekken als er niet binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de verkregen omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen een begin is gemaakt met het bouwen.
Aan elke vergunninghouder waarvan geconstateerd is dat niet tijdig na het onherroepelijk worden van een verleende omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen is begonnen met het bouwen, wordt een voornemen tot intrekking van de verleende omgevingsvergunning bekend gemaakt conform het gestelde onder 5 van de onderhavige beleidsregels.
In het geval er een zienswijze is ingediend wordt bekeken of de ingediende zienswijze aanleiding geeft tot het gunnen van een ruimere termijn waarbinnen met het bouwen een begin moet zijn gemaakt.
Voornoemde termijn wordt naar redelijkheid en in het licht van het concrete geval bepaald.
4.3 Intrekkingsregeling bij stilliggen bouwwerkzaamheden
Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd om een verleende omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen geheel of gedeeltelijk in te trekken als het bouwen langer dan 26 weken na het onherroepelijk worden van de verkregen omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen heeft stilgelegen.
Aan elke vergunninghouder met een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen waarbij geconstateerd wordt dat het bouwen 26 weken heeft stilgelegen, wordt een voornemen tot intrekking van de verleende omgevingsvergunning bekend gemaakt conform het gestelde onder 5 van de onderhavige beleidsregels.
In het geval er een zienswijze is ingediend wordt bekeken of de ingediende zienswijze aanleiding geeft tot het gunnen van een ruimere termijn waarbinnen weer gestart moet worden met het bouwen.
Voornoemde termijn wordt naar redelijkheid en in het licht van het concrete geval bepaald.
4.4 Omgevingsvergunning in twee fasen
Op grond van artikel 2.5, lid 1, van de Wabo wordt op verzoek van de aanvrager een omgevingsvergunning in twee fasen verleend. In de eerste fase kan bijvoorbeeld het kapgedeelte en het planologisch gedeelte van de vergunning worden aangevraagd en in de tweede fase het bouwgedeelte. Op grond van de Wabo is het niet meer mogelijk om het bouwgedeelte op te splitsen. De beschikkingen waarbij positief is beslist op de aanvragen met betrekking tot de eerste en tweede fase worden, als deze in werking zijn getreden, tezamen aangemerkt als een omgevingsvergunning.
Het college van burgemeester en wethouders kan (op grond van het bepaalde in artikel 2.5, lid 5, van de Wabo) een beschikking intrekken waarbij positief is beslist op een aanvraag met betrekking tot:
de eerste fase: indien niet uiterlijk twee jaar nadat de beschikking onherroepelijk is geworden een aanvraag is ingediend voor de beschikking met betrekking tot de tweede fase;
de eerste of tweede fase: indien op de aanvraag met betrekking tot de andere fase negatief is beslist en niet uiterlijk twee jaar nadat de beschikking onherroepelijk is geworden een nieuwe aanvraag is ingediend.
4.5 Intrekkingsregeling bij onlosmakelijke activiteiten
Indien de omgevingsvergunning mede betrekking heeft op een activiteit die onlosmakelijk is verbonden met de activiteit bouwen van een bedrijfsmatig project, geldt de intrekking van de omgevingsvergunning ook voor de activiteit die onlosmakelijk met voornoemde activiteit is verbonden.
Artikel 4.