Naar hoofdinhoud

Artikel 5.

Beëindigingsgronden

Onderdeel van Uitvoeringsregeling schulddienstverlening Hollands Kroon 2016

Onverminderd de overige bepalingen in deze beleidsregel, besluit het college tot beëindiging van de schulddienstverlening als: het schulddienstverleningstraject succesvol is afgerond; verzoeker de beschikbare aflossingscapaciteit niet wil gebruiken of verhogen voor de aflossing van schulden; op grond van – zo later is gebleken – onjuiste gegevens schulddienstverlening aan verzoeker is toegekend, terwijl indien dit ten tijde van de besluitvorming bekend was geweest bij het college, een andere beslissing zou zijn genomen; de verzoeker intimiderend, dreigend en/of agressief gedrag vertoont tegen medewerkers van de gemeente; verzoeker in staat is om zijn schulden zelf te regelen dan wel in staat is de schulden zelfstandig te beheren; de geboden schulddienstverlening, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verzoeker, niet (langer) passend is; de verzoeker verhuist naar een andere gemeente, tenzij er sprake is van een lopende schuldregeling; op verzoek van verzoeker zelf; de verzoeker is komen te overlijden. Toelichting In dit artikel wordt beschreven wanneer schulddienstverlening wordt beëindigd. Het artikel laat de werking van artikel 4 onaangetast. Het misdragen tegenover medewerkers wordt volgens het Agressieprotocol van de gemeente Hollands Kroon afgehandeld. Het uitgangspunt bij schulddienstverlening is maatwerk. Desondanks kan dit betekenen dat de schulddienstverlening wordt beëindigd als bijvoorbeeld de vorm van dienstverlening niet langer aansluit bij de persoonlijke omstandigheden van de verzoeker. Als hier sprake van is, moet er extra aandacht zijn voor een goede motivering van de beschikking door op te nemen wat de verzoeker zelf nog aan zijn situatie kan verbeteren en/of welke actie hij (nog) kan ondernemen, door bijvoorbeeld een andere vorm van dienstverlening in te schakelen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel