4.2.1 Algemeen
Zoals vermeld in paragraaf 2.3 heeft de achtergrondconcentratie een groot aandeel in de totale concentratie van luchtverontreinigende stoffen.
De achtergrondconcentraties worden door het Milieu- en Natuurplanbureau bepaald op basis van meetcijfers afkomstig van het Landelijk meetnet luchtkwaliteit (zie paragraaf 4.2.2) en modelberekeningen. Binnen deze achtergrondconcentraties wordt er met de bijdragen van in principe alle bestaande antropogene en natuurlijke emissiebronnen in binnen- en buitenland gewerkt.
Voor het bepalen van de bijdrage van bijvoorbeeld de industrie wordt gebruik gemaakt van emissieregistraties. Alle bronbijdragen in een bepaald kilometervak leveren uiteindelijk een achtergrondconcentratie op. Deze gegevens zijn in het rekenmodel opgenomen (GCN-bestanden).
4.2.2 Meetnetten
Nederland heeft een landelijk meetnet luchtkwaliteit (LML) dat wordt beheerd door het RIVM (www.lml.rivm.nl). In Zeeuws Vlaanderen ligt één meetpunt: Philippine. Op dit meetpunt 5 worden zogenaamde achtergrondwaarden gemeten. Dit betekent dat de gemeten concentraties op deze locatie representatief zijn voor een groter gebied. Door de provincie Zeeland wordt in Sas van Gent gemeten.
In vergelijking met Nederland worden in Vlaanderen op veel uitgebreidere schaal luchtkwaliteitsmetingen uitgevoerd. In industriegebieden, zoals de Gentse Kanaalzone, is een dicht meetnet aanwezig (www.irceline.be). Dit meetnet is bedoeld om verhoogde waarden in de nabijheid van de industrie te monitoren. Zelzate vormt het noordelijkste deel van de Gentse kanaalzone en ligt aan de landsgrens.
Daarom kunnen metingen in Zelzate (er zijn meetpunten op verschillende locaties in Zelzate, waaronder één specifiek om de emissies afkomstig van Sidmar op te volgen) een signaalfunctie vervullen voor bijdragen vanuit het Gentse gebied aan de luchtverontreiniging in het zuidelijk deel van de kanaalzone. Een hoge concentratie in Zelzate kan immers betekenen dat er ook op Zeeuws grondgebied een hoge waarde voorkomt (bron: “Grensoverschrijdende luchtverontreiniging - Kanaalzone Zeeuws Vlaanderen”, Provincie Zeeland, februari 2004).
Wellicht ten overvloede wordt opgemerkt dat de informatie die via het Vlaamse meetnet beschikbaar komt ook daadwerkelijk door de provincie Zeeland en de gemeente Terneuzen wordt gebruikt. Onder andere voor de beoordeling van de luchtkwaliteit in Overslag bij wind uit het zuidwesten.
In het kader van het provinciale 'Actieplan fijn stof' is de provincie Zeeland in overleg met het RIVM over het intensiveren van de fijn stof metingen en het in kaart brengen van de ruimtelijke verschillen in concentraties. Concreet wordt er gesproken over het uitbreiden van het Landelijk meetnet met onder andere één extra meetpunt in de Kanaalzone. Dit extra meetpunt zal naar verwachting ter hoogte van Sluiskil gepositioneerd worden. Behalve de concentraties aan PM10 in de lucht is het de bedoeling om, naast de gebruikelijke overige componenten, ook de concentraties aan PM2,5 te gaan meten (zie ook paragraaf 4.3.1).
4.2.3 Gemeente Terneuzen 2005
Afhankelijk van de locatie binnen de gemeente Terneuzen c.q. het kilometervak, verschilt de achtergrondconcentratie. Ter illustratie is in figuur 3 en 4 een grafische weergave opgenomen van de achtergrondconcentraties voor NO2 respectievelijk PM10.
Figuur 3 NO2 achtergrond concentraties in Zeeland in 2005
In figuur 3 is te zien dat in een brede strook langs het kanaal Gent – Terneuzen licht verhoogde achtergrondconcentraties voorkomen in vergelijking met aangrenzend gebied. Naar verwachting zijn de langs het kanaal gelegen industriegebieden debet aan de lichte verhoging.
Figuur 4 Fijn stof achtergrondconcentraties in Zeeland in 2005
Figuur 4 laat een vergelijkbaar beeld zien als figuur 3, met dat verschil dat er ter hoogte van de Westerschelde vergelijkbare concentraties voorkomen met het aangrenzende gebied.
In de volgende tabel zijn de grootste verschillen in achtergrondconcentraties binnen de gemeentegrens gegeven, volgens de GCN-bestanden voor het jaar 2005.
Stofnaam
Norm
Philippine
Sluiskil
NO2 jaargemiddeld (µg/m3)
40
18
21
PM10 jaargemiddeld (µg/m3)
40
25
28
PM10 grenswaarde overschrijdingen (dagen)
35
20
25
Uit de gepresenteerde cijfers volgt dat de achtergrondconcentraties binnen de gemeente zo'n 3 µg/m3 van elkaar kunnen verschillen. Dit geldt zowel voor de jaargemiddelde NO2-concentratie als de jaargemiddelde PM10-concentratie.
4.2.4 Gemeente Terneuzen 2010
Door het Milieu en Natuurplanbureau is in 2005 een prognose gemaakt van de luchtkwaliteit in het peiljaar 2010. Uitgaande van de in paragraaf 3.2 beschreven maat-regelen die worden ingezet door het Rijk is de verwachting dat de luchtkwaliteit in de komende jaren verbetert. Dit komt tot uiting in de figuren 5 en 6, die een grafische weergave bevatten van de achtergrondconcentraties voor NO2 respectievelijk PM10 in 2010.
Figuur 5 Geprognosticeerde NO2 achtergrondconcentraties in Zeeland in 2010
In figuur 5 is te zien dat er ter hoogte van de Westerschelde, rond Terneuzen en het industriegebied waarop Dow Benelux is gelegen, de hoogste achtergrondconcentraties verwacht worden. De voorspelde achtergrondconcentraties in 2010 zijn gelijk aan of lager dan in 2005 (zie figuur 3).
Figuur 6 Geprognosticeerde fijn stof achtergrondconcentraties in Zeeland in 2010
Uit figuur 6 blijkt dat er alleen rond het Kanaal Gent – Terneuzen, ter hoogte van Sluiskil en het industriegebied waarop Yara is gelegen, in de toekomst nog hogere achtergrondconcentraties worden verwacht dan in het omliggende gebied. Daarbij wordt aangetekend dat deze verwachting is gemaakt vóór de nieuwe inzichten in de omvang van de fijn stofproblematiek, die kleiner is dan gedacht (zie paragraaf 2.4.4 en bijlage 1). Bovendien blijven de achtergrondconcentraties volgens verwachting ook in 2010 ruim beneden de grenswaarden.
Deze informatie is van belang voor het op te zetten gemeentelijk luchtkwaliteitbeleid, aangezien hiermee een beeld kan worden gevormd van mogelijke knelpunten, waarmee op voorhand rekening kan worden gehouden. Het zou dan gaan om een gebied rondom Terneuzen en het westelijk daarvan gelegen industriegebied en een gebied rondom Sluiskil en het oostelijk daarvan gelegen industriegebied.
Echter, de voorspelde achtergrondconcentraties in 2010 zijn gelijk of lager dan in 2005. Op basis daarvan én de uitkomsten van de eerder genoemde jaarrapportage over 2005, is de verwachting dat er in 2010 geen sprake zal zijn van norm-overschrijdingen. Met andere woorden, het luchtkwaliteitbeleid hoeft niet toegespitst te worden op redelijkerwijs te verwachten toekomstige knelpunten.
4.2.5 België
In België worden (na de recente aanpassing van de achtergrondconcentraties in ons land) circa 30% hogere fijn stof concentraties gemeten dan in Nederland. De concentraties die voor stikstofdioxide gemeten worden ontlopen elkaar minder.
Dit blijkt uit de rapportage ‘Luchtkwaliteit Vlaams Gewest 2004’ van november 2005, die gebaseerd is op meetcijfers uit het meetnet rond het kanaal van Gent naar Terneuzen. Voor het meetpunt in Zelzate zijn in de genoemde rapportage de volgende gegevens gepresenteerd.
Stofnaam
Norm
2004
2005
NO2 jaargemiddeld (µg/m3)
40
32
n.b.
PM10 jaargemiddeld (µg/m3)
40
36
36
PM10 grenswaarde overschrijdingen (dagen)
35
63
53
Uit voorlopige cijfers voor het jaar 20054 blijkt dat in Zelzate het aantal grenswaarde overschrijdingen voor PM10 is afgenomen tot 53 dagen. De afname (16%) is iets groter dan de neerwaartse trend die in Nederland (10-15%) te zien is.
Ter vergelijking: in Sluiskil zijn in 2005, na toepassing van de wettelijk toegestane correctie, 19 overschrijdingsdagen voor fijn stof berekend (maximaal 35 overschrijdingsdagen is toegestaan).
Er is dus een groot verschil tussen het aantal overschrijdingsdagen voor fijn stof in België (Zelzate) en Nederland (Sluiskil). Dit verschil is wel enigszins te verklaren.
Ten eerste zijn de waardes in België gemeten en de waardes in Nederland voor een belangrijk deel berekend. Hierdoor kunnen afwijkingen ontstaan evenals door mogelijke verschillen in gebruikte meetmethodes.
Ten tweede is het zo dat een klein verschil in de jaargemiddelde concentratie fijn stof al snel leidt tot een relatief groter verschil in het aantal dagoverschrijdingen. De jaargemiddelde concentraties fijn stof (28 µg/m3 in Sluiskil en 36 µg/m3 in Zelzate) ontlopen elkaar minder (zoals hiervoor genoemd ca. 30%) dan het aantal overschrijdingsdagen (verschil 152%).
Van voorgaande verschillen dient rekenschap te worden genomen als het gaat om vergelijking van meetcijfers en/of overleg met het buurland over de fijn stof problematiek.
4De definitieve rapportage is in november 2006 te verwachten.