Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 7

Artikel 7.2

Zones met 95-percentielwaarde groter dan de interventiewaarde

Onderdeel van Bodemkwaliteitskaart

De indeling van de zones uit de bodemkwaliteitskaart in verschillende bodemkwaliteitsklasses is gebaseerd op het rekenkundig gemiddelde van de verschillende stoffen. De concentraties van de verschillende stoffen hebben een zekere spreiding en een klein deel van de waarnemingen in een zone voldoet niet aan de bodemkwaliteitsklasse waarin de zone is ingedeeld. De meeste partijen grond die binnen een zone vrijkomen voldoen derhalve aan betreffende bodem-kwaliteitsklasse, maar af en toe kan het vrij grondverzet ertoe leiden dat een partij grond wordt toegepast die niet aan de toepassingseis van een zone voldoet. Gemiddeld leidt dit niet tot een verslechtering van de bodemkwaliteit van de zone. Het grondverzet levert geen ‘nieuwe’ verontreiniging op, maar betreft een verplaatsing van al in het milieu aanwezige verontreiniging. Het grondverzet mag er echter niet toe leiden dat op de toepassingslocatie dusdanige milieuhygiënische risico’s ontstaan, dat volgens de Wet bodembescherming een spoedige sanering noodzakelijk zou zijn. Om de kans op dit laatste te minimaliseren is in artikel 4.3.5, lid 3c van de Regeling bodemkwaliteit een toetsing opgenomen van de 95-percentielwaarde van de bodemkwaliteitszone van de plaats van herkomst van de grond. Op basis van de 95-percentielwaarde wordt getoetst of vrij grondverzet op de toepassingslocatie volgens de Wet bodembescherming kan leiden tot een noodzaak tot spoedige sanering. Spoedeisende locaties zijn locaties waar volgens het Saneringscriterium uit de Circulaire bodemsanering 2013 (lit. 18) sprake is van actuele milieuhygiënische risico’s: Humane risico’s Ecologische risico’s Verspreidingsrisico’s Voor deze risico’s is een standaardbeoordeling uitgewerkt in het computerprogramma Sanscrit. Een locatie kan alleen spoedeisend zijn wanneer de interventiewaarde wordt overschreden (afgezien van lood op plaatsen waar kinderen spelen). Voor de verdere beoordeling zijn alleen de zones van belang waar de 95-percentielwaarde hoger is dan de interventiewaarde. In de volgende zones in Zeeuwsch-Vlaanderen is de 95-percentielwaarde voor één of meer stoffen hoger dan de interventiewaarde: C2 (bovengrond) C3 (boven- en ondergrond) F2 (boven- en ondergrond) G3 (boven- en ondergrond) G4 (boven- en ondergrond) De 95-percentielwaarde voor PAK is in de bovengrond van zone F2 hoger dan de interventiewaarde. Grond uit deze zones is volgens de generieke toepassingseisen alleen vrij toepasbaar in bepaalde bedrijfsterreinzones. De 95-percentielwaarde voor PAK is ruimschoots lager dan de volgens de standaardbeoordeling uit Sanscrit minimaal benodigde concentraties om spoedeisend te zijn op een bedrijfsterrein (indeling terreingebruik in groep 3 voor ecologische risico’s). Verder is in de ondergrond van deze zone de 95-percentielwaarde voor lood hoger dan de interventiewaarde. Deze verhoogde loodgehalten bevinden zich specifiek ter plaatse van een oude demping. In de zones G3 en G4 is volgens het generieke kader uit het Besluit bodemkwaliteit sowieso geen vrij grondverzet mogelijk, aangezien de gemiddelde kwaliteit in deze zones niet voldoet aan MaxINDUSTRIE. In de zones C2 en C3 is de 95-percentielwaarde voor zink (Sasse Poort) dan wel lood en deels tevens koper, PAK of barium5 6 (oudste delen van de kernen in de drie gemeentes) hoger dan de interventiewaarde. Toetsing van de 95-percentielwaarden van lood in Sanscrit leidt bij een standaardbeoordeling tot humane risico’s op kinderspeelplaatsen en bij het terreingebruik ‘wonen met moestuin’. Bij ‘wonen met tuin’ en andere minder gevoelige terrein-gebruiken levert de standaardbeoordeling uit Sanscrit geen actuele risico’s op. De 95-percentielwaarde voor zink in Sasse Poort levert bij geen enkel terreingebruik risico’s op volgens de standaardbeoordeling uit Sanscrit. Ook voor de zones C2 en C3 geldt, dat grond afkomstig uit deze zones volgens de generieke toepassingseisen alleen vrij toepasbaar is in bepaalde bedrijfsterreinzones. Aangezien de gemiddelde kwaliteit van deze zones niet voldoet aan MaxWONEN is grond afkomstig uit deze zones volgens de generieke toepassingseisen niet vrij toepasbaar in zones met de bodemfunctie ‘wonen’. Grond die in deze zones wordt ontgraven is derhalve ook niet zonder chemische analyses toepasbaar in dezelfde zone. Uit het voorgaande blijkt, dat de generieke toepassingseisen voor Zeeuwsch-Vlaanderen er normaliter niet toe leiden dat op de toepassingslocatie dusdanige milieuhygiënische risico’s ontstaan, dat volgens de Wet bodembescherming een spoedige sanering noodzakelijk zou zijn. 5In het algemeen zijn de normen voor barium ingetrokken. De interventiewaarde blijft echter van toepassing indien de verhoogde barium gehalen worden verklaard door een antropogene oorzaak.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel