3.1.1 Inleiding
De visie van het Rijk op hulp bij het huishouden is gewijzigd. De veranderingen zijn verankerd in de nieuwe Wmo 2015. De burger moet volgens die wet kunnen participeren en moet zo veel mogelijk zelfredzaam zijn. Onder zelfredzaamheid wordt verstaan: “in staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden”. De smallere formulering in de Wmo 2015 “gestructureerd huishouden” heeft een veel mindere reikwijdte dan het “verzorgen van een huishouden”. In deze beleidsregels zullen wij dan ook de term ‘leefbaar huishouden’ gebruiken. Bij het participeren, moet de huishouding geen obstakel zijn, het huishouden moet “op orde” zijn. De gemeente moet dus voorzieningen treffen waardoor de belanghebbende in staat is om een huishouden te voeren. Als is vastgesteld dat cliënt ondersteuning nodig heeft bij het huishouden zal de vorm van ondersteuning moeten leiden tot een leefbaar huishouden. De ondersteuning beperkt zich tot de ruimten die nodig zijn voor het normale gebruik van de woning en die daadwerkelijk in gebruik zijn.
De Wmo 2015 kijkt meer dan voorheen naar de eigen mogelijkheden van de klant. Voor huishoudelijke ondersteuning betekent dit, dat wordt beoordeeld hoe betrokkene zelf het probleem kan oplossen. Zelf of door een beroep te doen op familie, vrienden, vrijwilligers, mensen uit de buurt of andere partijen die hierin iets kunnen betekenen. Lukt betrokkene dit niet en bestaan er geen algemene of andere voorzieningen, dan kan hulp verleend worden via de gemeente. Deze voorziening beperkt zich tot het op orde houden van woon-, slaap- en badkamer, keuken en toilet, verkeersruimten (hal, overloop) en trap (indien één van voornoemde ruimten zich op een andere etage bevinden. De overige huishoudelijke werkzaamheden zoals het verzorgen van planten en dieren, het doen van boodschappen en het schoonhouden van extra ruimten vallen niet onder de door de gemeente te verstrekken hulp.
Het beleid ten aanzien van de maatwerkvoorziening ‘huishoudelijke ondersteuning’ moet zijn gebaseerd op objectieve criteria, steunend op deugdelijk en onafhankelijk onderzoek. In deze wordt gebruikt gemaakt van een onderzoek verricht door het bureau HHM, een onafhankelijke derde partij, die geen belang heeft bij de uitkomst van het onderzoek ter vaststelling van maatstaven voor resulaten.
Bij concretisering van het beleid moet in een individueel geval in het onderzoeksverslag c.q. de beschikking nader worden gemotiveerd met welke ondersteuning, afgestemd op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de cliënt, een passende bijdrage aan de zelfredzaamheid of participatie wordt geleverd. Waar mogelijk wordt daarbij rekening gehouden met de redelijke wensen van de cliënt.
Op basis van een individueel onderzoek (gesprek) wordt maatwerk voor de cliënt geleverd. Wanneer sprake is van eigen kracht wordt op cliëntniveau afgeweken van de standaardnorm.
Uitgangspunt van het beleid is dat gestuurd wordt op resultaten, waarbij de toekenning is gebaseerd op ruimten, activiteiten, frequentie en tijd. Dit kan bereikt worden door het inzetten van de basismodule en/of aanvullende modules. Binnen de modules hebben activiteiten hun eigen objectief vastgestelde normtijden.
De maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning wordt dus ingezet als de cliënt onvoldoende in staat is om zelf zorg te dragen voor een leefbaar huishouden. Gebruikelijke hulp, mantelzorg, hulp vanuit het sociaal netwerk of een algemene voorziening kunnen dit probleem evenmin oplossen.
Eigen kracht
Onder eigen kracht wordt verstaan de activiteiten die door de cliënt zelf kunnen worden uitgevoerd bij het leefbaar houden van zijn woning. Deze activiteiten komen niet in aanmerking om te worden overgenomen door middel van een maatwerkvoorziening. Dit kan betekenen dat een deel van het huishouden door de cliënt wordt uitgevoerd en voor een ander deel een maatwerkvoorziening wordt ingezet. Een andere vorm van het benutten van de eigen kracht is het verlenen van medewerking aan een zo efficiënt mogelijke ondersteuning. Bijvoorbeeld de inrichting van de woning door cliënt.
Gebruikelijke hulp
Als sprake is van gebruikelijke hulp, dan wordt geen of minder ondersteuning geboden bij het leefbaar houden of organiseren van het huishouden. In de onderdelen 1.1 en 3.1.3 van deze beleidsregels wordt het begrip ‘gebruikelijke hulp’ nader uitgewerkt.
Mantelzorg en het sociale netwerk
Deze vorm van ondersteuning gaat voor op ondersteuning in de vorm van een maatwerkvoorziening. Mantelzorg is altijd vrijwillig en niet afdwingbaar. In de praktijk kan dit betekenen dat een deel van het huishouden door de mantelzorger wordt overgenomen en voor een ander deel aanvullend of tijdelijke ondersteuning wordt geboden door de inzet van een maatwerkvoorziening. Naast mantelzorg kan ook de inzet van vrijwilligers een oplossing bieden bij het verzorgen van het huishouden.
Algemene voorzieningen
Dit zijn voorzieningen die voor een brede doelgroep toegankelijk zijn en die (gedeeltelijk) ondersteuning kunnen bieden. Voor huishoudelijke ondersteuning kunnen dat onder andere de ramenlapservice, was- en strijkservice, boodschappen- of vrijwilligersdiensten zijn.
3.1.2 Resultaten
Onderzoek objectieve en onafhankelijke norm
Basismodule
De Twentse gemeenten hebben voor het uitwerken van het resultaat ‘leefbaar huishouden’ gebruik gemaakt van de resultaten van het door het bureau HHM in Utrecht uitgevoerde onafhankelijk onderzoek. Hierin is vastgesteld dat er voor de basistaken 105 uren per jaar nodig zijn om het resultaat ‘leefbaar huishouden’ te behalen.
Module wasverzorging
In aanvulling op het hiervoor genoemde onderzoek heeft HHM op verzoek van de Twentse gemeenten een nader en verdiepend onderzoek verricht naar de aanvullende module voor de wasverzorging. Daarbij zijn de activiteiten van de wasverzorging, zoals genoemd in het CIZ-protocol als uitgangspunt genomen. Het onderzoek heeft geresulteerd in een overzicht van activiteiten, met frequentie en tijd dat nodig is voor het bereiken van het resultaat: schone en draagbare kleding en beddengoed.
Overige aanvullende modules
Voor de overige aanvullende modules kon het HHM onderzoek niet de activiteiten met bijbehorende frequentie objectief inzichtelijk maken. Daarom is gebruik gemaakt van het CIZ protocol uit 2011.
De maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning omvat de volgende modules:
basismodule leefbaar huishouden;
module extra hygiëne;
module wasverzorging;
module regie;
module maaltijdverzorging;
module zorg voor minderjarige kinderen.
DE MODULES
Basismodule huishoudelijke ondersteuning
Bij de basismodule huishoudelijke ondersteuning wordt per woonruimte aangegeven welke activiteiten met welke frequentie moeten worden verricht om het resultaat schoon en leefbaar huishouden te behalen. Hierbij wordt zowel rekening gehouden met reguliere basisactiviteiten als incidentele activiteiten, die beide onder de basismodule vallen. De omvang van de basismodule is volgens het HHM onderzoek 105 uur op jaarbasis. De tijdsbesteding die in Bijlage 1 wordt weergegeven, betreft het aantal minuten dat gemiddeld voor deze activiteit aan de orde is in een ‘gemiddelde situatie’ (1 à 2 persoons huishouden).
Module Extra hygiëne
De module Extra hygiëne kan worden ingezet wanneer sprake is van:
Medische beperkingen waardoor een meer dan gebruikelijke hygiëne noodzakelijk is;
Medische en/of fysieke beperkingen die leiden tot een snellere vervuiling van het huis;
Kin(deren) jonger dan 12 jaar.
De extra noodzakelijke huishoudelijke ondersteuning dient een medisch en/of fysieke oorzaak te hebben bij de cliënt, welke objectief medisch aantoonbaar is. Voorbeelden hiervan zijn (niet limitatief): ernstige klachten ten gevolge van COPD of een hogere vervuilingsgraad door gebruik van noodzakelijke hulpmiddelen.
De module Extra hygiëne is qua activiteiten gelijk aan de basismodule. Alleen de frequentie van (enkele van) de activiteiten verschilt met de basismodule. De module Extra hygiëne kan worden ingezet wanneer uit onderzoek door de klantmanager van de gemeente blijkt dat vanwege een objectiveerbare beperking zoals hiervoor genoemd, de ondersteuningsvraag van de cliënt de basismodule overstijgt. Bij de module Extra hygiëne is geen vaste frequentie te noemen bij huishoudelijke activiteiten, omdat dit per cliënt verschillend kan zijn. De consulent beschrijft in de conclusies van het onderzoeksverslag welke specifieke activiteiten met welke frequentie moeten worden verricht bij de cliënt.
Bij de module Extra hygiëne wordt onderscheid gemaakt tussen licht en zwaar huishoudelijk werk aan de hand van de desbetreffende activiteiten. Het is mogelijk dat de cliënt extra ondersteuning nodig heeft bij zowel het licht als zwaar huishoudelijk werk, maar het is ook mogelijk dat dit bij een van beide noodzakelijk is.
Tabel 3: Overzicht activiteiten module Extra hygiëne op grond van de normen uit het CIZ protocol
Activiteiten
Maximale tijdbesteding in minuten per week
Licht huishoudelijk werk
(Bijvoorbeeld afstoffen)
30 minuten
Zwaar huishoudelijk werk
(Bijvoorbeeld stofzuigen en dweilen)
60 minuten
Kind(eren) jonger dan 12 jaar
30 minuten
Module Wasverzorging
De module Wasverzorging kan worden ingezet als een cliënt het niet lukt om zijn kleding, linnen- of beddengoed zelfstandig op orde en schoon te houden. Het resultaat van deze aanvullende module is dat de cliënt de beschikking heeft over schone en draagbare kleding en linnen- en/of beddengoed.
Van de cliënt wordt verwacht dat hij beschikt over een wasmachine en droger. Als er geen wasmachine of droger is, behoort het realiseren van een wasmachine of droger tot de verantwoordelijkheid van de cliënt. Daarnaast wordt van de cliënt verwacht al het mogelijke te doen om het ontstaan van extra was te beperken. Door bijvoorbeeld incontinentiemateriaal of anti-allergieproducten te gebruiken.
Activiteiten en tijdbesteding wassen en strijken
Voor het bepalen van de tijdbesteding van de activiteiten die vallen binnen het wassen en strijken, is door bureau HHM gebruik gemaakt van de observatiegegevens uit het onderzoek in de gemeente Amsterdam dat door bureau HHM en KPMG Plexus gezamenlijk is uitgevoerd. Voor het bepalen van de frequenties van de activiteiten is gebruik gemaakt van de uitkomst van het onderzoek in Twente onder de huishoudelijke hulpen van aanbieders. Verder is in regionaal verband besloten de omschrijving en clustering van activiteiten uit het CIZ-protocol te volgen.
Op basis van de uitkomsten van het onderzoek in Amsterdam en Twente is geconcludeerd dat er gemiddeld vijf wassen per twee weken moeten worden gedaan. Dit betekent een frequentie van twee en halve (2,5) was per week, voor een meerpersoonshuishouden. Voor een eenpersoonshuishouden betreft dit gemiddeld twee wassen per week.
Wat betreft het strijken van de was worden geen lakens, theedoeken, zakdoeken en ondergoed etc. gestreken. Wat betreft de kleding wordt uitgegaan van een eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van de keuze van kleding, die in principe niet hoeft te worden gestreken.
Gemiddeld meerpersoonshuishouden
De totale tijd per week voor het wassen en strijken bij een gemiddeld meerpersoonshuishouden van cliënten met huishoudelijke ondersteuning, gaat uit van 2,5 wassen per week. Dat betekent (2,5 x 17,1) + 19,8 = 62,6 minuten per week.
Gemiddeld eenpersoonshuishouden
De totale tijd per week voor het wassen en strijken bij een gemiddeld eenpersoonshuishouden van cliënten met huishoudelijke ondersteuning, mag uitgegaan worden van twee was-gangen per week en komt daarmee uit op: (2 x 17,1) + 19,8 = 54,0 minuten per week.
Tabel 4: Overzicht activiteiten module Wasverzorging
Activiteiten
Deelactiviteiten
Frequentie
Tijd per keer (min)*
Tijd per was (min)*
1
Wasgoed sorteren *) en wassen in wasmachine
Wasgoed sorteren
1 keer per week
1,8 / 2,5 = 0,7
3,7
Wassen in wasmachine
Elke was
3,0
Totaal =
2
Wasgoed ophangen en afhalen
Elke was
6,8
Gewogen gemiddelde: 5,9
3
Wasgoed drogen in de droger
Elke was
4,9
4
Wasgoed vouwen en opbergen
Elke was
7,5
7,5
Totale tijd per was
17,1
5
Wasgoed strijken
1 keer per week
19,8
n.v.t.
*) Sorteren van wasgoed
Het sorteren van het wasgoed hoeft niet bij elke was gedaan te worden, maar kan één keer per week plaatsvinden. Om deze activiteit te kunnen toedelen naar de tijd per was, (bij de activiteit “Wasgoed sorteren en wassen in de machine”) is het sorteren verdeeld over het aantal wassen dat wordt uitgevoerd. Hierbij is op basis van het gemiddeld aantal wassen per week als deelfactor 2,5 gebruikt (bij delen door “2” blijft de uitkomst per saldo gelijk door afronding).
Naast deze activiteiten zijn er ook nog factoren waardoor meer hulp bij de wasverzorging noodzakelijk kan zijn. Hierbij kan gedacht worden aan (meerdere opties mogelijk):
Thuiswonende kind(eren) jonger dan 16 jaar;
Bedlegerige cliënten;
Extra bewassing in verband met overmatige transpiratie, incontinentie, speekselverlies, etc..
Als sprake is van bovenstaande factoren dan kan aanvullend op de module Wasverzorging extra ondersteuning van maximaal 30 minuten per factor per week worden ingezet.
Module Regie
Deze module kan worden ingezet wanneer de cliënt op eigen kracht of met zijn sociale netwerk niet in staat is tot regie en planning van de werkzaamheden met betrekking tot het organiseren van huishoudelijke taken. Behalve dat er huishoudelijke taken moeten worden overgenomen, heeft de hulp, ook aansturende en regietaken. Daarbij geldt voor de hulp een extra verantwoordelijkheid bij het signaleren van ongewenste situaties of toenemende kwetsbaarheid bij cliënt. Ook kan ondersteuning (al dan niet aan de gezonde partner) bestaan uit het helpen handhaven, verkrijgen of herkrijgen van structuur in het huishouden.
Het resultaat van het voeren van de regie over het huishouden is een goede regievoering op en organisatie van het huishouden. Het overnemen van de regie over het huishouden kan noodzakelijk zijn als in redelijkheid niet meer van cliënt verwacht kan worden dat hij zelfstandig beslissingen neemt ten aanzien van zijn huishouden of als disfunctioneren dreigt ten gevolge van bijvoorbeeld dementie. Dat kan zich uiten in vervuiling (van de woning of kleding), verwaarlozing (eten en drinken) of ontreddering van zichzelf of van afhankelijkheid van huisgenoten. Hierdoor wordt de cliënt zowel binnens- als buitenshuis belemmerd in zijn functioneren.
Bij de module regie kan overwogen worden of de maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning moet worden ingezet of een andere maatwerkvoorziening meer passend is, zoals ondersteuning zelfstandig leven. Een afweging die hierbij gemaakt kan worden is of de ondersteuning alleen gericht is op het huishouden of dat er ook ondersteuning op andere gebieden noodzakelijk is.
Bij de ondersteuning wordt de cliënt betrokken bij te maken keuzes en wordt zoveel mogelijk verantwoordelijkheid bij de cliënt neergelegd. Daarbij wordt aangesloten bij de capaciteiten, intellectuele vaardigheden en het leervermogen van de cliënt. Bij een deel van deze groep cliënten is waarschijnlijk geen sprake van ontwikkelingsmogelijkheden, eerder van afnemende zelfredzaamheid. Bewaken of het nog verantwoord is dat de cliënt zelfstandig woont, is daarom onderdeel van deze module.
In de onderstaande tabel zijn de activiteiten voor de module Regie opgenomen.
Tabel 5: Overzicht activiteiten module Regie op grond van de normen uit het CIZ protocol
Activiteiten
Maximale tijdbesteding in minuten per week
Organisatie van huishoudelijke taken ;
30 minuten
Plannen en beheren van middelen m.b.t. het huishouden
Factoren voor meer hulp
Thuiswonende kinderen jonger dan 16 jaar
30 minuten
Psychogeriatrische problematiek en/of gedragsproblematiek
30 minuten
Communicatieproblemen als gevolg van beperkingen, niet door het niet machtig zijn van de Nederlandse taal
30 minuten
Daarnaast is het mogelijk dat de cliënt extra ondersteuning nodig heeft bij advies, instructie en voorlichting gericht op een of meerdere activiteiten in het huishouden voor de maximale duur van zes weken. Hiervoor gelden de volgende activiteiten:
Tabel 6: Overzicht activiteiten sub-module instructie op grond van de normen uit het CIZ protocol
Activiteiten
Maximale tijdbesteding in minuten per week
Instructie omgaan met (technische) hulpmiddelen;
30 minuten per activiteit
Instructie huishoudelijke taken; boodschappen doen, maaltijd bereiden, het licht en zwaar huishoudelijke werk, de wasverzorging en de dagelijkse organisatie van het huishouden
(maximaal 90 minuten per week en dit komt bovenop de normtijd die geldt voor overnemen van de activiteit)
Module Maaltijdverzorging
Uitgangspunt is: als de cliënt niet voldoet aan de criteria van de Wlz, dan valt de ondersteuning bij de maaltijden onder de Wmo 2015 of de Zvw. Voor Wlz-zorg thuis (VPT of MPT) geldt dat er blijvend intensieve zorg nodig is. Voor ondersteuning vanuit de Wmo 2015 is sprake van ondersteuning bij zelfredzaamheid en bij inzet vanuit de Zvw is er sprake van behoefte aan geneeskundige zorg.
Maaltijdvoorziening valt onder de Wmo 2015 als:
De cliënt geen indicatie heeft voor Wlz-zorg, en
De cliënt hulp bij het eten nodig heeft om zelfstandig te blijven wonen, en
de gebruikelijke hulp, mantelzorg of hulp van andere personen uit het sociale netwerk niet voldoende zijn, en
de cliënt geen behoefte heeft aan geneeskundige zorg (dit valt onder de Zvw).
Bij iedere cliënt die een beroep doet op de Wmo voor ondersteuning bij de maaltijden, wordt na onderzoek ondersteuning op maat ingezet. Inzet kan plaatsvinden vanuit de huishoudelijke ondersteuning, individuele begeleiding, maar ook door en in afstemming met de wijkverpleging.
Ondersteuning bij de maaltijden valt dus gedeeltelijk onder de Wmo 2015. Het (voor)bereiden van maaltijden en het eventueel begeleiden (stimuleren of herinneren) bij de maaltijden valt onder de Wmo 2015. De module Maaltijden kan worden ingezet als het een cliënt niet lukt om zelfstandig de benodigde dagelijkse maaltijden te bereiden. Deze module bestaat uit activiteiten die moeten worden verricht om het resultaat “beschikken over benodigde dagelijkse maaltijden” te bereiken.
Ondersteuning bij maaltijden kan onder de Zorgverzekeringswet vallen als:
Een cliënt niet in staat is zelfstandig te eten en te drinken (in zijn mond doen);
Maaltijdondersteuning medisch noodzakelijk is (bijv. bijvoeding);
Toezicht tijdens het eten noodzakelijk is.
Tijdens het persoonlijke gesprek met de cliënt worden alle mogelijkheden besproken:
Is er een huisgenoot aanwezig die in staat is de maaltijd klaar te zetten en/of op te warmen?
Kan cliënt op eigen kracht of met ondersteuning van de mensen om hem heen een maaltijd verzorgen?
Is een kind of één van de buren in staat een maaltijd klaar te zetten of op te warmen?
Zo ja, dan hoeft de gemeente op grond van gebruikelijke hulp geen ondersteuning te bieden.
Ook wordt bij het onderzoek gekeken of een voorliggende voorziening oplossingen biedt, zoals kant-en-klaarmaaltijden, mee-eten bij een welzijnsvoorziening, maaltijdbezorging aan huis, etc. Als een cliënt niet (meer) in staat is zelf of met hulp van de omgeving maaltijden te verzorgen en voorliggende voorzieningen niet of onvoldoende de noodzakelijke oplossing biedt, kan deze module door de gemeente worden ingezet. De kosten voor de aanschaf van de maaltijden c.q. de maaltijdvoorziening komen ten laste van de cliënt. In de onderstaande tabel zijn de activiteiten voor de module Maaltijden opgenomen.
Tabel 7: Overzicht activiteiten maatwerkmodule Maaltijden op grond van de normen uit het CIZ protocol
Activiteiten
Frequentie
Maximale tijdbesteding in minuten per maaltijd
Broodmaaltijd bereiden (smeren)
Maximaal twee
Broodmaaltijd klaar zetten, tafel dekken
keer per dag
15 minuten
Koffie/thee zetten
Afwassen of in/uitruimen vaatwasmachine
Warme maaltijd bereiden, koken of opwarmen
Maximaal één
keer per dag
15 minuten (opwarmen)
30 minuten (koken)
Warme maaltijd klaar zetten, tafel dekken
Koffie/thee zetten
Afwassen of in/uitruimen vaatwasmachine
Factoren voor meer hulp
Kind(eren) < 12 jaar
20 minuten per maaltijd
Voor het doen van boodschappen geldt dat algemene voorzieningen , zoals een boodschappenservice via een supermarkt, voorliggend zijn. De sub-module Boodschappen kan dan ook slechts in uitzonderlijke situaties worden toegepast. Eigen keuzes, zoals de speciaal voedsel dat maar beperkt wordt aangeboden waardoor extra reizen nodig is, of het doen van boodschappen in een groot aantal winkel, resulteert niet in extra tijd voor boodschappen doen.
Voor de boodschappen gelden de volgende activiteiten:
Tabel 8: Overzicht activiteiten sub-module Boodschappen op grond van de normen uit het CIZ protocol
Activiteiten
Maximale tijdbesteding in minuten per week
Boodschappen samenstellen
60 minuten
Boodschappen inkopen
Boodschappen opslaan
Factoren voor meer hulp
Leefeenheid > 4 personen
60 minuten
Kind(eren) < 12 jaar
60 minuten
Module Zorg voor minderjarige kinderen
Het zorgen voor kinderen is een taak van ouders en/of verzorgers. Dat geldt ook voor ouders die door een beperking niet in staat zijn hun kinderen te verzorgen. Uitgangspunt is hierbij dat bij uitval van één van de ouders, de andere ouder deze zorg of zijn aandeel in de zorg daar waar mogelijk overneemt. Een eventuele maatwerkvoorziening is er voor ouders die door acuut ontstane problemen een oplossing nodig hebben voor minderjarige, gezonde kinderen. De ondersteuning is dus per definitie tijdelijk, in afwachting van een structurele oplossing. Aan de hand van de SMI- beschrijving[1] wordt beoordeeld of deze module wordt ingezet bij een cliënt.
Kinderopvang c.q. SMI zou een passende oplossing kunnen zijn. Zolang dat nog niet geregeld is kan de module zorg voor minderjarige kinderen worden ingezet.
Deze module wordt afgegeven met een maximale duur van drie maanden om ouders/verzorgers de mogelijkheid te bieden een oplossing te creëren. Van hen mag worden verwacht dat zij zich tot het uiterste zullen inspannen om die oplossing zo snel mogelijk te vinden. Daarbij dient ook betrokken te worden of de persoon aanspraak kan maken op ondersteuning via de zorgverzekering. Individuele ondersteuning voor structurele opvang van kinderen is niet mogelijk binnen de Wmo 2015. Het passen op kinderen valt niet onder dit resultaat.
In de onderstaande tabel zijn de activiteiten van de module Zorg voor minderjarige kinderen opgenomen:
Tabel 9: Overzicht activiteiten module Zorg voor kinderen op grond van de normen uit het CIZ protocol
Activiteiten
Maximale tijdbesteding in minuten per activiteit per kind
Naar bed brengen / uit bed halen
10 minuten per keer per kind
Wassen en kleden
30 minuten per dag per kind
Eten en/of drinken geven
20 minuten (broodmaaltijd) of 25 minuten (warme maaltijd)
Babyvoeding (flesje/ borstvoeding)
20 minuten per keer per kind
Luier verschonen
10 minuten per keer per kind
Naar school/crèche brengen/halen
15 minuten per gezin
Factoren voor meer hulp
Indien opvang noodzakelijk is
Tot 40 uur per week
3.1.3 Afwegingskader
Allereerst beoordeelt het college in het gesprek en het onderzoek of de beperkingen kunnen worden verminderd of worden weggenomen op eigen kracht, mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk.
Vervolgens beoordeelt het college of er sprake is van gebruikelijke hulp in het huishouden. Van gebruikelijke hulp is sprake indien er een huisgenoot aanwezig is, die in staat kan worden geacht het huishoudelijk werk over te nemen. Onder huisgenoot wordt verstaan: iedere persoon met hetzelfde hoofdverblijf als cliënt. Of sprake is van een huisgenoot waarmee duurzaam gemeenschappelijk een woning wordt bewoond, wordt naar de concrete feitelijke situatie beoordeeld. Daarbij staat 'duurzaam gemeenschappelijk een woning bewonen' tegenover het hebben van een volledig eigen en zelfstandige huishouding, waarbij er geen zaken zoals huisnummer, kosten nutsvoorzieningen, voordeur e.d. door elkaar lopen. Bij gebruikelijke hulp wordt rekening gehouden met de leeftijd van de huisgenoot. Tot 18 jaar wordt van huisgenoten verwacht dat zij hun bijdragen leveren bijvoorbeeld door hun eigen kamer schoon te houden en/of door hand- en spandiensten te verrichten, zoals het doen van (kleine) boodschappen, het helpen bij de afwas, enz. Bij gebruikelijke hulp wordt uitgegaan van de mogelijkheid om naast een volledige baan een huishouden te kunnen runnen. Alleen bij daadwerkelijke afwezigheid van de huisgenoot gedurende een aantal dagen en nachten zullen de niet-uitstelbare taken overgenomen kunnen worden. Bij het zwaar en licht huishoudelijk werk gaat het veelal om uitstelbare taken. Alleen als schoonmaken niet kan blijven liggen (regelmatig geknoeide vloeistoffen en eten) zal dat direct moeten gebeuren. Hier zal dan ondanks de gedeeltelijk gebruikelijke hulp wel voor geïndiceerd worden.
Daarna beoordeelt het college in het gesprek en het onderzoek of de beperkingen kunnen worden verminderd of worden weggenomen met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen of met gebruikmaking van algemene dan wel andere voorzieningen. Hierbij valt te denken aan het gebruik van een:
boodschappenservice;
algemeen gebruikelijke hulpmiddelen; (zie toelichting verordening artikel 10)
maaltijdvoorziening
wasserij;
voorschoolse, tussenschoolse en naschoolse opvang;
kinderopvang, opvang door grootouders.
Wel moet beoordeeld worden of deze voorzieningen beschikbaar, compenserend en financieel draagbaar zijn.
Als al het voorafgaande niet geleid heeft tot een oplossing van het probleem, zal het college compenseren met een maatwerkvoorziening. De maatwerkvoorziening Huishoudelijke ondersteuning wordt geleverd op basis van resultaatondersteuning. Deze bestaat uit de basismodule huishoudelijke ondersteuning en/of een vijftal aanvullende modules. Burgers die deze maatwerkvoorziening toegekend hebben gekregen kiezen zelf naar welke gecontracteerde aanbieder ze gaan. De gemeente informeert de burger over de aanbieders met wie zij een raamovereenkomst heeft, maar stuurt hier niet in.
In het onderzoeksverslag wordt opgenomen hoe de ondersteuning aan de cliënt geboden wordt. Vervolgens wordt, nadat een aanvraag is ingediend, een beschikking afgegeven. In de beschikking c.q. het onderzoeksverslag wordt aangegeven welke activiteiten in welke ruimte met welke frequentie en tijd door de zorgaanbieder worden uitgevoerd. De zorgaanbieder heeft zich te conformeren aan hetgeen in de beschikking door het college is genoemd. De door het college toegekende huishoudelijke ondersteuning dienen door de zorgaanbieder uitgevoerd te worden in overleg met de cliënt.
De zorgaanbieder ontvangt middels het zogenaamde digitaal iWmo bericht welke indicatie is afgegeven voor de desbetreffende cliënt.
Huishoudelijke Ondersteuning door de gemeenten neemt de verantwoordelijkheid van de cliënt niet over, maar helpt de cliënt om het resultaat leefbaar huis te behalen. Dit kan door de basismodule huishoudelijke ondersteuning en/of aanvullende modules in te zetten.
De basismodule huishoudelijke ondersteuning voorziet in een leefbaar huishouden. Dit betekent niet dat alle woonruimten wekelijks schoongemaakt moeten worden. De basismodule heeft betrekking op de woonruimten die nodig zijn voor het normale gebruik van de woning én die daadwerkelijk in gebruik zijn. In principe zijn dit de volgende woonruimten:
Woonkamer;
Slaapkamer(s), in gebruik bij de cliënt en zijn huisgenoten;
Badkamer;
Toilet;
Keuken;
Verkeersruimten (hal, overloop);
Trap, indien één van de hierboven genoemde ruimten zich op een andere etage bevinden.
De grootte van een huishouden kan reden zijn om de basismodule aan te passen, maar vormt in het algemeen geen aanleiding om een aanvullende module toe te kennen. Ook de aanwezigheid van dieren (uitgezonderd hulphonden) zijn geen aanleiding voor het toekennen van een aanvullende module. De gevolgen hiervan voor het leefbaar houden van het huishouden en het zoeken naar oplossingen hiervoor behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt. Bij de totstandkoming van de basismodule is gebruik gemaakt van het HHM onderzoek.
Indien met het inzetten van de basismodule onvoldoende resultaat wordt bereikt kan (deels) een aanvullende module worden ingezet. Een aanvullende module kan ook worden ingezet als een (noodzakelijk) resultaat behaald moet worden en dit niet mogelijk is met de basismodule. Bij het inzetten van een aanvullende module wordt ook altijd beoordeeld wat de cliënt op eigen kracht of met hulp van het sociaal netwerk kan. De aanvullende modules zijn:
Module extra hygiëne
Module wasverzorging
Module regie
Module maaltijdverzorging
Module zorg voor minderjarige kinderen
Bij het inzetten van een aanvullende module moet altijd de afweging worden gemaakt of de aanvullende module de juiste oplossing is of dat een andere maatwerkvoorziening meer passend is. Dit is afhankelijk van de problematiek die speelt bij de cliënt en op welke gebieden.
(dreigende) overbelasting
Het college houdt rekening met de belangen van mantelzorgers. Zo kan in geval van dreigende overbelasting een maatwerkvoorziening aan de verzorgde worden toegekend. Deze voorziening kan dan niet – als het een PGB betreft - door de mantelzorger worden ingevuld: het gaat immers om diens (dreigende) overbelasting Ook hier gaat het om een afgeleid recht. Het college kan ook op voorhand rekening houden met periodes van afwezigheid van de mantelzorger voor vakantie of anderszins.
De zorg voor kinderen die tot het huishouden behoren is in eerste instantie een taak van de ouders. Zo moeten werkende ouders er zorg voor dragen dat er op tijden dat zij beide werken opvang voor de kinderen is. De Wmo heeft vooral een taak om tijdelijk in te springen zodat de ruimte ontstaat om een al dan niet tijdelijke oplossing te zoeken. Dat wil zeggen: de acute problemen worden opgelost zodat er gezocht kan worden naar een permanente oplossing.
Zorg in natura of PGB
De hulp kan door het college worden toegekend in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget. Bij hulp in natura kan belanghebbende in beginsel een keuze maken uit de door de gemeente gecontracteerde aanbieders. Bij een persoonsgebonden budget wordt het bedrag van dit PGB afgegeven als tegenwaarde van de hulp in natura. Belanghebbende kan zelf een aanbieder kiezen. Ook hier is een andere vorm van toekennen mogelijk, bijvoorbeeld met speciale hulpmiddelen. Daarbij moet altijd vast staan dat het te bereiken resultaat gerealiseerd zal worden, zodat er sprake is van compensatie.
Verblijf buiten de woning
Verblijf buiten de woning waar betrokkene geacht wordt het hoofdverblijf te hebben voor een periode langer dan vier weken heeft tot gevolg dat daarna geen huishoudelijke ondersteuning wordt verstrekt. Er bestaat namelijk geen compensatieplicht voor de periode dat belanghebbende niet in zijn woning verblijft.
[1] Sociaal medische indicatie zoals wordt beschreven in Verordening Kinderopvang sociaal medische indicatie
Hoofdstuk 3.
Artikel 3.1