3.2.1 Inleiding
Uit de memorie van toelichting van de Wmo 2015 (TK 2013-2014, 33 841, nr. 3, p.26) volgt dat de gemeente op grond van de Wmo verantwoordelijk is voor de ondersteuning van mensen die niet in staat zijn de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen uit te voeren. Algemene dagelijk-se levensverrichtingen (ADL) zijn de handelingen die mensen dagelijks in het gewone leven verrichten, met inbegrip van persoonlijke verzorging. Het begrip wordt gebruikt om te bepalen in hoeverre iemand zelfredzaam is. Iemand die als gevolg van lichamelijke en geestelijke beperkingen ADL-verrichtingen niet zelf kan doen, zal hulp nodig hebben en, indien hij zoveel hulp nodig heeft dat het niet verant-woord is dat hij zonder enige vorm van (vrijwel) continu toezicht en hulp leeft, misschien zelfs niet langer thuis kan blijven wonen. Voor de zelfredzaamheid van mensen zijn de volgende algemene da-gelijkse levensverrichtingen van belang: in en uit bed komen, aan- en uitkleden, bewegen, lopen, gaan zitten en weer opstaan, lichamelijke hygiëne, toiletbezoek, eten/drinken, medicijnen innemen, ontspan-ning, sociaal contact. Daartoe kan in het kader van de Wmo een woonvoorziening of -aanpassing worden toegekend voor het aanpassen van de bestaande woning, dan wel het toekennen van een vergoeding voor de verhuizing naar een aangepaste woning. Onder een woonvoorziening wordt ver-staan aanpassingen in, aan en rond de woning zoals een aangepaste douche- en toiletruimte, aange-paste keuken, traplift, etc. Het betreft zowel vaste als losse voorzieningen.
3.2. 2 Afwegingskader
Uitgangspunt is dat iedereen eerst zelf zorg dient te dragen voor een geschikte woning. Daarbij mag er van uit worden gegaan dat rekening wordt gehouden met bekende beperkingen, ook wat betreft de toekomst. Een eigen woning kan zowel een gekochte woning zijn als een huurwoning. Ook bij afwijkende situaties, zoals een woonwagen met vaste standplaats wordt in principe gesp-roken van woning.
Allereerst beoordeelt het college of er geen weigeringsgrond als bedoeld in artikel 10 van de ver-ordening van toepassing is, waardoor het college geen woonvoorziening hoeft te verstrekken.
Dan beoordeelt het college in het gesprek en het onderzoek of de beperkingen kunnen worden verminderd of worden weggenomen op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk.
Vervolgens beoordeelt het college in het gesprek en het onderzoek of de beperkingen kunnen worden verminderd of worden weggenomen met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voor-zieningen of met gebruikmaking van algemene voorzieningen.
Het college beoordeelt vervolgens of de beperkingen waardoor de cliënt niet in staat is de nood-zakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen uit te voeren, ook gecompenseerd kunnen wor-den via een verhuizing. Hierbij zullen onderstaande aspecten worden meegewogen:
Als de beperkingen onvoldoende kunnen worden gecompenseerd door aanpassingen, is ver-huizen naar een andere geschiktere woonruimte de enige compenserende oplossing. Een ver-huiskostenvergoeding behoort tot de mogelijkheden, tenzij deze verhuizing voorzienbaar was.
De verhuiskostenvergoeding moet worden aangewend voor verhuizing naar een adequate wo-ning en geldt niet voor verhuizing naar een Wlz instelling (artikel 2.3.5 lid 6 in casu artikel 1.1.1: verhuiskostenvergoeding is geen hulpmiddel).
Is aanpassing (technisch) mogelijk. De verschillende consequenties zowel vanuit de gemeente als vanuit de belanghebbende moeten afgewogen worden tegen onder meer de kosten van de verschillende opties.
Er zijn aangepaste of eenvoudige aan te passen woningen aanwezig.
Vergelijking van aanpassingskosten van de huidige versus de nieuwe woonruimte.
Afwegingen in het kader van volkshuisvesting.
Er wordt naar gestreefd om beschikbare aangepaste woningen zo adequaat mogelijk opnieuw in te zetten.
Snelheid waarmee het woonprobleem kan worden opgelost.
In een aantal gevallen kan verhuizing het woonprobleem veel sneller oplossen, bijvoorbeeld als iemand in een revalidatiehuis of ziekenhuis verblijft en pas ontslagen kan worden als de woonsituatie is aangepast.
Sociale omstandigheden.
Sociale omstandigheden zullen een rol spelen bij de afweging aanpassen of verhuizen. Hierbij kan worden gedacht aan de binding die belanghebbende heeft met de wijk of buurt. Maar ook de nabije aanwezigheid van mantelzorg, afstand tot de verschillende voorzieningen (winkels, ziekenhuis etc.) spelen een rol.
Integrale afweging van de verschillende categorieën Wmo voorzieningen. Afstemming met Wmo-voorzieningen: afstand tot openbaar vervoershaltes, aanwezigheid van voorzieningen, winkels, ziekenhuis etc.
Woonlastenconsequenties
Een vergelijking maken tussen woonlasten van het aanpassen van de huidige woonruimte versus het verhuizen naar een ander woonruimte. Rekening gehouden kan worden met de (hoogte en de duur) van de te ontvangen huurtoeslag.
Een zeer zorgvuldige afweging van alle argumenten zal aan het besluit ten grondslag worden gelegd.
De gemeente kan uiteindelijk tot de conclusie komen dat het adequater is om de huidige woning aan te passen dan de belanghebbende te laten verhuizen in verband met behoud van de bereikbaarheid van voorzieningen waardoor minder aanvullende maatregelen genomen hoeven te worden.
Als het noodzakelijk is dat er een aanbouw geplaatst wordt overweegt het college – naast de op-tie tot een vaste aanbouw – met name vanwege financieel-economische argumenten het plaatsen van een herbruikbare losse woonunit.
Als een inpandige aanpassing mogelijk is, bijvoorbeeld in de situatie van een ruime benedenver-dieping, zal het college allereerst die situatie beoordelen, voordat uitbreiding van de woning aan de orde komt.
Bij bouwkundige aanpassingen aan de woning werkt het college altijd eerst met een programma van eisen, waarmee zo nodig meerdere offertes opgevraagd kunnen worden. Aan de hand van het programma van eisen wordt met behulp van de Scio berekeningsmodule "CalPro" een berekening van de kosten gemaakt. De offerte van de leverancier mag niet meer bedragen dan de uitkomst van de berekeningsmodule.
Een woonvoorziening kan door het college worden toegekend in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget.
Bij het bepalen van al dan niet bouwkundige woonvoorzieningen houdt het college rekening met de belangen van mantelzorgers, zoals bij tilliften en andere hulpmiddelen die door mantelzorgers bediend moeten worden.
Voorzienbaarheid woningaanpassing / algemeen gebruikelijke renovatie / afschrijvingstermijn:
Overeenkomstig de meest actuele jurisprudentie worden de kosten van renovatie als algemeen gebruikelijke aangemerkt zodra de afschrijvingstermijn is verstreken. Op zich gaat het daarbij niet om een voorziening die speciaal voor gehandicapten is bedoeld. Daarbij wordt er ook van uitge-gaan dat in het algemeen zowel bij nieuwbouw als renovatie zonder noemenswaardige meerkosten kan worden ge- (of ver)bouwd op een wijze die een goede toegankelijkheid en gebruik door ge-handicapten mogelijk maakt.
Het voorgaande geldt ook als sprake is van renovatie of vervanging van woningaanpassingen die in het kader van de Wvg en/of Wmo heeft plaatsgevonden. Hieronder wordt niet verstaan het ver-vangen van woonvoorzieningen zoals een traplift of douchestoel.
Het hanteren van een algemeen gebruikelijke (economische) afschrijvingstermijn is redelijk, on-danks dat de voorziening nog bruikbaar was. Daarbij kunnen de afschrijvingstermijnen die in de sociale woningbouw worden gehanteerd als uitgangspunt worden genomen; in zijn algemeenheid is dat 20 jaar. Vervanging is dan in beginsel algemeen gebruikelijk. Als ook de financiële positie van betrokkene geen probleem oplevert, kan de aanvraag worden afgewezen.
Een uitzondering vormt bijvoorbeeld de situatie als een relatief nieuwe voorziening moet worden aangepast door een plotselinge handicap.
Hoofdstuk 3.
Artikel 3.2