Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 7

Loonkostensubsidie

Onderdeel van Regeling re-integratie Participatiewet 2017

1.. Loonkostensubsidie aan werkgevers is mogelijk ten behoeve van arbeidsplaatsen die worden vervuld door personen waarvan is vastgesteld dat zij behoren tot de doelgroep loonkostensubsidie. 2.. Het college bepaalt de loonkostensubsidie: nadat de loonwaarde van de persoon is vastgesteld, dan wel met inachtneming van het zesde lid, nadat in overleg met de werkgever is overeengekomen dat de vaststelling van de loonwaarde van de persoon achterwege kan blijven en de dienstbetrekking tot stand komt. 3.. Indien een werkgever reeds een dienstbetrekking is aangegaan met een persoon die met voltijdse arbeid niet in staat blijkt tot het verdienen van het wettelijk minimumloon doch wel mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en die in de periode van zes maanden voorafgaande aan de dienstbetrekking deelnam aan: het praktijkonderwijs, bedoeld in artikel 10f van de Wet op het voortgezet onderwijs, het voortgezet speciaal onderwijs, bedoeld in artikel 2 van de Wet op de expertisecentra, of de entreeopleiding, bedoeld in artikel 7.2.2., onderdeel a, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, stelt het college op diens aanvraag de loonwaarde van die persoon vast en verleent het college de loonkostensubsidie, met in achtneming van het vierde lid, aan de werkgever. De datum van aanvraag geldt als ingangsdatum bij toekenning. 4.. De hoogte van de loonkostensubsidie is het verschil tussen het wettelijk minimumloon vermeerderd met de aanspraak op vakantietoeslag op grond van artikel 15 van de Wet minimumloon en minimumvakantietoeslag en de loonwaarde van die persoon vermeerderd met de voor die persoon naar rato van de loonwaarde rechtens geldende vakantiebijslag. 5.. De loonkostensubsidie bedraagt maximaal 70% van het totale bedrag van het wettelijk minimumloon en de aanspraak op vakantiebijslag op grond van artikel 15 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, vermeerderd met een bij ministeriële regeling nader te bepalen vergoeding voor werkgeverslasten. 6.. De hoogte van de loonkostensubsidie, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, bedraagt gedurende een periode van maximaal de eerste zes maanden van de dienstbetrekking 50 procent van het totale bedrag van het wettelijk minimumloon en de aanspraak op vakantiebijslag op grond van artikel 15 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, vermeerderd met een bij ministeriële regeling vastgestelde vergoeding voor werkgeverslasten. Over het tijdvak na die periode stelt het college de loonwaarde vast en verleent het college loonkostensubsidie met inachtneming van het vierde en vijfde lid. 7.. De loonkostensubsidie wordt naar evenredigheid verminderd, indien de overeengekomen arbeidsduur korter is dan de normale arbeidsduur, bedoeld in artikel 12 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag. 8.. De loonkostensubsidie moet door de werkgever worden aangevraagd uiterlijk drie maanden na de ingangsdatum van de eerste arbeidsovereenkomst, met uitzondering van hetgeen is bepaald in lid 3. Voor het aanvragen van de loonkostensubsidie dient de werkgever gebruik te maken van een formulier dat door het college is vastgesteld. 9.. Het college stelt de loonkostensubsidie jaarlijks vast op basis van de door het college te bepalen en door de werkgever aan te leveren documenten. 10.. Het college kan voorschotten verstrekken na overlegging van kopieën van de loonstroken. 11.. Indien een persoon in een dienstbetrekking waarbij loonkostensubsidie als bedoeld in dit artikel wordt verleend verhuist naar een andere gemeente, wordt gedurende diezelfde dienstbetrekking de op grond van het eerste en tweede lid verleende loonkostensubsidie door het college voortgezet.

Rechtspraak bij dit artikel