Voor het plaatsgebonden risico gelden wettelijke grenswaarden, waarop de provincie en gemeente in alle gevallen toetst (zie §2.1). Voor het groepsrisico gelden oriënterende waarden. Niet in alle gevallen wordt een nader onderzoek naar het groepsrisico vereist (zie onderstaand beslisschema).
De gemeente vereist geen uitgebreide verantwoording van het groepsrisico als3:
de geplande kwetsbare objecten buiten het invloedsgebied liggen (dan is er geen groepsrisico);
het een enkel (kwetsbaar) object in een nagenoeg maagdelijke omgeving betreft (dan is het groepsrisico zeer laag);
het een enkel (kwetsbaar) object in een al zeer volle omgeving betreft, waardoor het effect op het groepsrisico marginaal is. Hierbij worden de volgende vuistregels gehanteerd:
ad b) Tot een factor 10 onder de oriënterende waarde wordt geen uitgebreid onderzoek naar het groepsrisico vereist.
ad c) Tot een toename van het aantal mogelijke slachtoffers binnen het invloedsgebied van 10% beschouwt de gemeente de toename als marginaal.
Pas als de risicosituatie niet voldoet aan de hiervoor genoemde voorwaarden a, b en c, vereist de gemeente een uitgebreide verantwoording van het groepsrisico, waarbij aandacht wordt besteed aan de criteria zelfredzaamheid, beheersbaarheid en resteffecten. In het schema op de volgende pagina is de samenhang tussen de criteria schematisch weergegeven.
3 Zie Handreiking Verantwoordingsplicht Groepsrisico, VROM, augustus 2004
Figuur: Beslisschema voor de toetsing aan wettelijke normen
Hoofdstuk 2.
Artikel 2.6
Wanneer wegen welke criteria mee?
Onderdeel van Beleidsvisie externe veiligheid