13.1
Het dagelijks bestuur zendt jaarlijks vóór 1 mei de ontwerp-begroting voor het komende kalenderjaar, voorzien van een memorie van toelichting alsook de financiële beleidsuitgangspunten voor de komende jaren (meerjarenraming) toe aan de raden van de deelnemende gemeenten.
13.2
De raden kunnen, binnen acht weken na ontvangst, omtrent de ontwerp-begroting het dagelijks bestuur van hun gevoelen doen blijken. Het dagelijks bestuur voegt de commentaren waarin dit gevoelen is vervat bij de ontwerp-begroting, zoals deze aan het algemeen bestuur wordt aangeboden.
13.3
Het algemeen bestuur stelt uiterlijk 1 juli de begroting vast.
13.4
Nadat deze is vastgesteld, zendt het algemeen bestuur de begroting aan de raden van de deelnemende gemeenten.
13.5
Op wijzigingen van de begroting zijn voorgaande bepalingen zo mogelijk van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de wijzigingen die geen invloed hebben op de bijdragen van de gemeenten.
Paragraaf Begroting
Artikel 13