14.1
Het dagelijks bestuur legt vóór 1 mei aan het algemeen bestuur verantwoording af over het afgelopen kalenderjaar, onder overlegging van de opgestelde jaarrekening, het ingediende jaarverslag met de daarbij behorende bescheiden en een berekening van de door de gemeenten te betalen bijdragen, benevens het rapport van de met de controles belaste accountant.
14.2
De jaarrekening en het verslag worden gelijktijdig aan de raden van de deelnemende gemeenten toegezonden, die - binnen acht weken na ontvangst daarvan - schriftelijk bezwaren kunnen indienen bij het algemeen bestuur.
Het algemeen bestuur stelt de jaarrekening uiterlijk vóór 1 juli vast. Het besluit tot vaststelling van de jaarrekening strekt - voor zover het de daarin opgenomen ontvangsten en uitgaven betreft - het dagelijks bestuur tot décharge, behoudens later in rechte gebleken valsheid in bewijsstukken en andere onregelmatigheden.
Paragraaf Jaarrekening
Artikel 14