Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 5

Persoonlijk inburgeringsbudget

Onderdeel van Verordening inburgering Amsterdam 2013

1.. In plaats van een inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening kan het college, op verzoek van een inburgeringsplichtige als bedoeld in artikel 3 een persoonlijk inburgeringsbudget verstrekken, indien bijzondere omstandigheden van de inburgeringsplichtige naar het oordeel van het college een speciale voorziening vereisen. 2.. Het persoonlijk inburgeringsbudget bedraagt ten hoogste € 8.000,- en wordt eenmalig aan een persoon verstrekt. 3.. Van bijzondere persoonlijke omstandigheden is in ieder geval sprake indien een gemeentelijke voorziening als bedoeld in artikel 4 niet geschikt is omdat de inburgeringsplichtige; hoogopgeleid is, of zodanige fysieke of psychische belemmeringen ondervindt dat een daarop aangepaste  voorziening voor hem noodzakelijk is. 4.. Het verzoek om een persoonlijk inburgeringsbudget gaat vergezeld van: een trajectplan, dat door de inburgeringsplichtige is opgesteld volgens een door het college vastgesteld model; offertes van twee inburgeringsbedrijven, waarbij door elke bedrijf een bewijs van het Keurmerk Inburgeren is gevoegd, alsmede een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel dan wel uit het beroeps- of handelsregister van het land van vestiging, welk uittreksel niet ouder dan twee maanden is; een medische verklaring, indien sprake is van een situatie als bedoeld in lid 3, onder b. 5.. Het college wijst het verzoek om een persoonlijk inburgeringsbudget af, indien: naar het oordeel van het college geen sprake is van bijzondere persoonlijke omstandigheden; naar het oordeel van het college het door de inburgeringsplichtige ingediende trajectplan als bedoeld in het vierde lid onvolledig is; uit het ingediende trajectplan blijkt dat het daarin door de inburgeringsplichtige geschetste doelperspectief of inburgeringsprogramma onvoldoende onderscheidend is van de inhoud van de gemeentelijke voorziening als bedoeld in artikel 4. 6.. Het college kan van het maximumbedrag, bedoeld in het tweede lid, afwijken ten gunste van de inburgeringsplichtige, indien toepassing van dat bedrag gezien de bijzondere persoonlijke omstandigheden van de inburgeraar zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel