Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2

Artikel 2.3

Toetsingscriteria

Onderdeel van Beleidsregel inritvergunningen Bunschoten 2017

Op grond van artikel 2.2 lid 1 sub e Wet algemene bepalingen omgevingsrecht juncto de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) is het verboden om zonder vergunning van het bevoegd gezag een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. Een aanvraag om een vergunning wordt getoetst aan onderhavige beleidsregel. Voldoet een aanvraag niet aan onderstaande beleidsregel, dan weigert het bevoegd gezag de vergunning, tenzij dit wegens bijzondere omstandigheden onevenredig is. De aanvraag om een vergunning kan worden geweigerd: ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg; De veiligheid van het verkeer op de weg is een zwaarwegend criterium. Indien verwacht wordt dat een inrit een negatief effect heeft op de (verkeers)veiligheid, wordt de vergunning geweigerd. Voorbeelden hiervan zijn: inritten nabij een kruising van wegen, onoverzichtelijkheid als gevolg van beplanting of bebouwing nabij de openbare weg, inritten in de bocht van een weg waar 50 km/u of meer mag worden gereden. indien de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats; Indien voor de aanleg van een inrit het gebruik van een haaks op de openbare weg gelegen openbare parkeerplaats noodzakelijk is of ten koste gaat van meerdere vakken in een langsparkeerstrook, wordt de vergunning geweigerd. De parkeerbalans in de directe omgeving moet in evenwicht blijven. indien door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; Het openbaar groen wordt op onaanvaardbare wijze aangetast bij de aanleg van een inrit als: één of meerdere bomen dienen te worden gerooid en/of schade wordt toegebracht aan het wortelpakket van de boom / beplanting. Het college conformeert zich aan de richtlijnen van Norm Instituut Bomen; een groenstrook dusdanig wordt onderbroken dat de groenstrook wordt versnipperd. Voorbeelden van versnippering zijn: het ontstaan van vakken kleiner dan 3 m2 die: niet meer machinaal te onderhouden zijn of waarin de bestaande beplanting niet meer te handhaven is en/of omgevormd moet worden met een ongewenste verandering van de beeldkwaliteit tot gevolg. indien er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen; indien het gebruik van de voortuin als parkeerplaats en als ontsluiting naar de openbare weg planologisch niet mogelijk is of niet past in het straatbeeld. Getoetst wordt of de bepalingen van het betreffende bestemmingsplan het gebruik van de voortuin als parkeerplaats en ontsluiting toestaan. Indien dit niet het geval is wordt bezien of er toestemming verleend kan worden om af te wijken van het bestemmingsplan. Hierbij wordt bezien of het parkeren in de voortuin past in het straatbeeld.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel