Als de inrit niet binnen één jaar na verlening van de vergunning wordt aangelegd, verliest de vergunning zijn geldigheid. De vergunninghouder kan eenmaal verlenging van deze termijn krijgen voor een periode van drie maanden. Een dergelijke verlenging dient schriftelijk verzocht te worden en uiterlijk twee maanden voor de einddatum van de verstrekte vergunning door ons ontvangen te zijn. In bijzondere omstandigheden kan een afwijkende termijn worden toegestaan. Een aanvrager die een vergunning voor de aanleg wenst te verkrijgen voor een duur die langer is dan één jaar dient dit bij de aanvraag te vermelden en de bijzondere omstandigheden aan te tonen.
Hoofdstuk 2
Artikel 2.4
Geldigheid van de vergunning (tot de aanleg en nadien)
Onderdeel van Beleidsregel inritvergunningen Bunschoten 2017