In de Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ (zie: artikel 7 onder h) en in het Algemeen inkomens-besluit socialezekerheidswetten (zie: artikel 2:8, eerste lid onder c en artikel 2:9, eerste lid onder e) is sinds 1 april 2017 bepaald dat: “een kostenvergoeding voor het verrichten van vrijwilligerswerk van ten hoogste € 150,– per maand en € 1.500,– per jaar” niet tot middelen bedoeld in art. 31 Pw worden gerekend, respectievelijk niet als overig inkomen bedoeld in de IOAW-IOAZ wordt aangemerkt. In de toelichting op de landelijke wijziging van deze regelingen (zie o.a. Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 10 maart 2017, nr. 2017-0000026106, Staatscourant nr. 14952 d.d. 17 maart 2017) merkt de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op dat het van belang is dat gemeenten er alert op blijven dat de activiteiten die belanghebbende doet of wil doen als vrijwilliger, in feite geen regulier werk inhouden. Om die reden is in het derde lid bepaald dat het verzoek om toepassing van de vrijlating moet worden ingediend voorafgaand aan de aanvang van het vrijwilligerswerk. Vanwege de noodzaak om (op lokaal niveau) nadere criteria vast te stellen om te kunnen bepalen of de door de belanghebbende (te) ontvangen kostenvergoeding voor vrijlating in aanmerking komt en de samenhang met het korten van inkomsten uit (deeltijd)arbeid als de activiteiten in feite regulier werk inhouden, zijn in deze beleidsregels (=artikelen 1 en 5) nadere regels gesteld. Met het tweede lid wordt beoogd om datgene wat reeds is beschreven bij de inkomensvrijlating voor inkomsten uit arbeid, ook deels van toepassing te verklaren op de vrijlating kostenvergoeding voor het verrichten van vrijwilligerswerk.
Artikel 5