Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 2:

Artikel 2.

Recht op inkomstenvrijlating voor een belanghebbende tot de pensioengerechtigde leeftijd

Onderdeel van VRIJLATING INKOMSTEN UIT ARBEID EN VRIJLATING KOSTENVERGOEDING VRIJWILLIGERSWERK PARTICIPATIEWET, IOAW en IOAZ

1.. Het recht op inkomstenvrijlating wordt uitsluitend op een voorafgaand ingediend schriftelijk verzoek van de belanghebbende, hetzij bij aanvang van de arbeid, hetzij bij urenuitbreiding als de arbeid al werd verricht op de ingangsdatum van de uitkering Pw-IOAW-IOAZ, bij beschikking vastgesteld. 2.. Met inachtneming van het bepaalde in het eerste lid dat de inkomensvrijlating moet worden aangevraagd vóór aanvang van de werkzaamheden, of urenuitbreiding, gaat de inkomsten-vrijlating in op de eerste dag van de maand waaraan de inkomsten moeten worden toegerekend met dien verstande dat de inkomstenvrijlating in een maand alléén wordt toegepast als de totale (gezins)inkomsten uit arbeid zonder toepassing van de vrijlating en tezamen met eventuele andere inkomensbestanddelen lager zijn dan de toepasselijke (kostendelers)Pw-norm of IOAW-IOAZ-uitkeringsgrondslag. Het recht op vrijlating wordt niet met terugwerkende kracht toegekend. 3.. Onverminderd het bepaalde in artikel 31 lid 5 Pw, heeft de belanghebbende tot de pensioen-gerechtigde leeftijd recht op inkomstenvrijlating als voldaan wordt aan het bepaalde in dit artikel en het bepaalde in artikel 3; 4.. Het recht op de inkomstenvrijlating bestaat bij een gezin voor ieder van de partners afzonderlijk met dien verstande dat als beide partners in dezelfde maand recht hebben op deze vrijlating het maximale vrijlatingsbedrag voor beide partners tezamen over die maand niet hoger is dan de maximale vrijlatingsbedragen zoals vermeld in artikel 31 lid 2 Pw en artikel 8 IOAW-IOAZ. 5.. De inkomstenvrijlatingen bedoeld in artikel 1 lid 3 onder a en b worden éénmaal per uitkerings-periode toegekend. Onder dezelfde uitkeringsperiode wordt verstaan de situatie dat: een uitkering aaneengesloten, of na een onderbreking door werkaanvaarding korter dan 24 maanden, wordt verstrekt; wederom uitkering wordt verstrekt na een onderbreking wegens verblijf in detentie, verblijf in het buitenland of verblijf in een inrichting, ongeacht de duur van de onderbreking; sprake is van voortzetting van een uitkering die voorheen door een andere gemeente werd verstrekt; na wijziging van de woon -of gezinssituatie de uitkering naar een andere norm/grondslag wordt voortgezet, tenzij het een wijziging betreft van de norm/grondslag voor een gehuwde naar de norm/grondslag voor een alleenstaande en er sprake is van een alleenstaande oudergezin waaraan in de voorafgaande uitkeringsperiode nog niet eerder de vrijlating bedoeld in art. 1 lid 3 onder b is toegekend. 6.. De belanghebbende heeft geen, of niet langer, recht op inkomstenvrijlating als bedoeld in artikel 1 lid 3 sub a, b, of c als: de inkomsten al vóór de ingangsdatum van de bijstand/uitkering werden genoten tenzij er met inachtneming van het bepaalde in artikel 3 sprake is van uitbreiding van uren en/of werkzaam-heden van minimaal vijf uur per week voor minimaal 6 aaneengesloten maanden na de ingangsdatum van de Pw, IOAW of IOAZ-uitkering; het voor belanghebbende opgestelde trajectplan als bedoeld in art. 3 tweede lid onder b en d wordt beëindigd, of zodanig wordt gewijzigd dat de inkomsten uit arbeid op basis waarvan eerder de inkomensvrijlating is toegekend niet langer geacht worden bij te dragen aan de arbeidsinschakeling; deze betrekking heeft op inkomsten uit arbeid waarvan geen, niet tijdig, of geen volledige opgave is gedaan waardoor belanghebbende de inlichtingenverplichting als bedoeld artikel 17 Pw, of artikel 13 IOAW en IOAZ niet of niet behoorlijk is nakomen; er sprake is van een situatie waarbij eerder aan belanghebbende een vrijlating van inkomsten uit arbeid is toegekend en het recht op bijstand/uitkering nadien is herzien en ingetrokken wegens schending van de inlichtingenplicht en belanghebbende binnen een tijdvak van 24 maanden opnieuw voor een uitkering Pw-IOAW-IOAZ in aanmerking komt; de inkomsten uit arbeid verworven worden door werkzaamheden uit zelfstandig bedrijf of beroep, tenzij het werkzaamheden van bescheiden omvang betreft. Er is sprake van werkzaamheden van bescheiden omvang als deze maximaal 50% van het urencriterium bedragen als bedoeld in artikel 1 onder b sub 2° van het Besluit bijstand-verlening zelfstandigen 2004. Voor de belanghebbende die werkzaamheden in een zelfstandig bedrijf of beroep verricht welke niet van bescheiden omvang zijn, geldt dat die een beroep moet doen op het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 (hoofdstuk III, § 2 Beginnende zelfstandigen); 7.. Het Werkplein bepaalt, als dit noodzakelijk is, welke gegevens belanghebbende voor de vaststelling van het recht op inkomstenvrijlating moet verstrekken, alsmede de wijze en het tijdstip waarop de gegevens moeten worden verstrekt.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel