**1..** Onverminderd artikel 2.3.8 van de wet is een cliënt die een aanvraag heeft ingediend of aan wie krachtens deze verordening een voorziening is verstrekt, verplicht zo spoedig mogelijk en schriftelijk aan het college mededeling te doen van feiten en omstandigheden, waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op een voorziening;
**2..** Onverminderd artikel 2.3.10 van de wet zal het college een besluit, genomen op grond van deze verordening, geheel of gedeeltelijk herzien of intrekken als het college vaststelt dat:
niet of niet meer is of wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens deze verordening;
beschikt is op grond van gegevens waarvan gebleken is dat die gegevens zodanig onjuist waren dat, waren de juiste gegevens bekend geweest, een andere beslissing zou zijn genomen;
de cliënt niet langer op de voorziening is aangewezen;
de voorziening niet meer toereikend is te achten,
de cliënt de voorziening niet of voor een ander doel gebruikt dan waarvoor hij is verstrekt.
**3..** Een besluit tot verlening van een persoonsgebonden budget kan worden ingetrokken als blijkt dat het budget binnen zes maanden na toekenning niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden;
**4..** Als het recht op een voorziening is ingetrokken kan op basis daarvan een reeds uitbetaald persoonsgebonden budget worden teruggevorderd met terugwerkende kracht tot uiterlijk de datum dat het recht is ingetrokken;
**5..** Het college is bevoegd, na toekenning van een voorziening op grond van deze Verordening, de persoon met beperkingen op te roepen of hem schriftelijk om informatie te vragen teneinde vast te stellen of de omstandigheden, die hebben geleid tot toekenning van de voorziening, ongewijzigd zijn;
**6..** Het college kan het recht op een voorziening beëindigen op verzoek van de belanghebbende;
**7..** Ingeval een in bruikleen verstrekt voorziening als gevolg van verwijtbare gedragingen van de persoon met een beperking niet meer aanwezig is, kan de restwaarde van de voorziening in rekening worden gebracht bij de bruiklener.
Hoofdstuk 6
Artikel 6.1