De aanwijzing van materiaal, als bedoeld in artikel 2, derde
lid, laatste alinea van de wet, geschiedt door de burgemeester
op voorstel van het hoofd van dienst of het hoofd van dienst
gehoord; zijn aanwijzing wordt onverwijld aan de eigenaar of
houder meegedeeld.
Het hoofd van dienst houdt aantekening van het ingevolge het
eerste lid aangewezen destructiemateriaal.