Lid 1. In artikel 9 van dit besluit is aangegeven wie in aanmerking komt voor een bewonersvergunning. In Art 1 van de parkeerverordening 2013 staat onder f. vermeld wie als bewoner wordt aangemerkt, onder o. staat omschreven wie de houder is van een motorvoertuig en onder mm. wat wordt verstaan onder een zelfstandige woning. Indien een aanvrager niet aan alle voorwaarden voldoet, wordt de vergunning geweigerd op basis van artikel 32 van de parkeerverordening 2013.
Lid 2. Het aantal bewonersvergunningen dat per zelfstandige woning wordt verleend is vastgelegd in dit artikel. Er kunnen maximaal twee bewonersvergunningen per zelfstandige woning worden verstrekt voor twee afzonderlijke motorvoertuigen, tenzij in het geval zoals bedoeld in het derde, vierde, en vijfde lid van dit artikel.
Lid 3. Het aantal te verlenen bewonersvergunningen wordt verminderd met het aantal bij de woning behorende of zich op het grondgebied van de woning bevindende stallingplaatsen. Uitdrukkelijk zij vermeldt dat op basis van het eerste lid van artikel 9 van de parkeerverordening 2013 een bewoner slechts in aanmerking kan komen voor c.q. recht heeft op een bewonersvergunning, indien de bewoner niet beschikt of niet kan beschikken over een stallingsplaats of een belanghebbendenparkeerplaats in het desbetreffende vergunninggebied. Hierbij moet gedacht worden aan een garage in of bij de woning, een carport of een parkeerplaats op eigen terrein. Ook als bewoners een stallingsplaats in hetzelfde vergunninggebied van de aanvraag huren of kopen, zal deze in mindering worden gebracht op het aantal te verlenen bewonersvergunningen. Is er sprake van een parkeerplaats (koop of huur) die bij de woning of het wooncomplex behoort, dan worden bewoners geacht daar te parkeren. Als men geen gebruik maakt van deze mogelijkheid (huren of kopen), of als men een gekochte plek voor andere doeleinden gebruikt en/of onderverhuurt, ontstaat daarop niet het recht op het verkrijgen van een bewonersvergunning. De redenering is dan dat geacht wordt dat men, naar alle redelijkheid, had kunnen beschikken over een parkeerplaats. Dus als een bewoner een stallingsplaats niet tot zijn beschikking heeft genomen of niet als zodanig in gebruik heeft genomen of niet als zodanig gerealiseerd heeft terwijl, naar alle redelijkheid, kan worden aangenomen en/of aangetoond, dat dit wel kan, kon of had gekund, dan komt dit voor risico van de bewoner, de bewoner heeft hierdoor geen recht op het verkrijgen van een bewonersvergunning.
Lid 4. Dit artikel is opgenomen om te voorkomen dat er een opstapeling van vergunningen plaatsvindt. Mensen kunnen een bewoners- of milieuvergunning aanschaffen, maar niet beide.
Lid 5. Als het vergunningenplafond is bereikt worden er slecht bepaalde parkeervergunningen verstrekt. De milieuparkeervergunning, autodeelvergunning, mantelzorgvergunning, hulpverlenersvergunning, belanghebbendenvergunning, maatschappelijke vergunning, en kraskaartvergunning en de sportvereniging vergunning, worden onafhankelijk van een eventuele wachtlijst verleend.
De vergunningenplafonds zijn vastgesteld met het oog op de bereikbaarheid voor het noodzakelijk autoverkeer. Op basis van artikel 4, lid 3 van de parkeerverordening 2013 moet bij het vaststellen van het vergunningenplafond en het aantal te verlenen vergunningen in ieder geval rekening worden gehouden met minimaal 10% noodzakelijke leegstand overdag per vergunninggebied. In Amsterdam-Zuidoost is deze noodzakelijke leegstand, gesteld op 10%. Dat betekent dat minimaal 10% van het aantal bruikbare parkeerplaatsen op de openbare weg vrij moeten zijn ( niet door vergunninghouders gebruikt moet kunnen worden) gedurende de reguleringsuren.
De noodzakelijke 10% leegstand van de parkeerruimte dient om:
bezoekend verkeer ruimte bieden om te parkeren;
spitsdrukte opvangen voor zowel bezoekend verkeer als parkerende vergunninghouders;
ruimte te bieden aan een vlotte circulatie.
De berekening is als volgt: het vergunningenplafond bedraagt 90%. Dat is het totaal aantal beschikbare parkeerplaatsen per vergunning gebied (=100%) minus de gewenste 10% leegstand. Onder het vergunningenplafond wordt verstaan het aantal bewoners-, bedrijfs- en volkstuinvergunningen dat maximaal binnen een vergunninggebied wordt verleend. De parkeerverordening 2013 kent geen onderscheid tussen een wachtlijst voor bewoners-, bedrijfs-, en volkstuinvergunningen. Als het vergunningenplafond is bereikt, worden nieuwe aanvragen voor een parkeervergunning op een wachtlijst geplaatst, totdat er - door opzegging, intrekking of niet-verlenging van bestaande vergunningen- weer ruimte is gekomen. Dit is geregeld in artikel 34 en artikel 35 van de parkeerverordening 2013. De hier genoemde aantallen betreffen overigens de bewoners-, bedrijven- en, indien van toepassing de volkstuinvergunningen.
Hoofdstuk
Artikel 9
Aantal te verlenen bewonersvergunningen
Onderdeel van Uitwerkingsbesluit parkeerverordening stadsdeel Zuidoost 2016