Naar hoofdinhoud
1.. Als belanghebbende bijstand ontvangt van het college, wordt de vordering of geldlening in maandelijkse termijnen met deze bijstand verrekend. Deze verrekening vindt plaats op grond van artikel 60 lid 3 P-wet en artikel 6:127 van het Burgerlijk Wetboek. 2.. Als belanghebbende bijstand ontvangt van een andere gemeente of een andere instantie zoals genoemd in artikel 60 onder a P-wet, wordt de vordering of geldlening in maandelijkse termijnen met deze bijstand verrekend. Deze verrekening vindt plaats op grond van het in dit lid genoemde artikel (pseudo-verrekening). 3.. Bij terugvordering van een verwijtbare vordering, zoals bedoeld in artikel 10, bedraagt het in te houden bedrag 10% van de bijstandsnorm inclusief toeslag en vakantietoeslag. 4.. Bij een IOAZ- of IOAW-uitkering wordt het aflossingsbedrag bepaald op 5% (niet verwijtbare vordering) respectievelijk 10% (verwijtbare vordering) van de bruto uitkeringsgrondslag . 5.. Bij een IOAZ- of IOAW-uitkering wordt het aflossingsbedrag bepaald op 5% (niet verwijtbare vordering) respectievelijk 10% (verwijtbare vordering) van de bruto uitkeringsgrondslag . 6.. Als de bijstand van het college op enig moment wordt beëindigd, wordt aan de belanghebbende verzocht om de verschuldigde aflossingen zelf te blijven voldoen. Er wordt vervolgens wel een onderzoek ingesteld naar de aflossingscapaciteit van de belanghebbende, en indien nodig wordt het aflossingsbedrag gewijzigd vastgesteld. 7.. Als de bijstand wordt beëindigd, wordt de reservering van het vakantiegeld met de vordering verrekend.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel