Naar hoofdinhoud

Artikel 23

Vaststellen aflossingscapaciteit

Onderdeel van Beleidsregels Terugvordering, Verhaal en Invordering Hollands Kroon 2015

1.. Als belanghebbende een inkomen heeft dat gelijk is aan de bijstandsnorm, wordt het aflossingsbedrag berekend zoals in artikel 21 lid 3 en 4 van deze beleidsregels is bepaald. 2.. Als belanghebbende geen bijstand ontvangt en verzoekt om een aflossingsregeling kan hiermee worden ingestemd als de vordering in 36 maanden afgelost kan zijn, en het aflossingsbedrag minimaal € 50,00 per maand bedraagt. 3.. Als de vordering niet in 36 maandelijkse termijnen kan zijn afgelost, wordt een onderzoek ingesteld naar de aflossingscapaciteit van de belanghebbende. Daarbij worden de financiële- en persoonlijke omstandigheden van belanghebbende in acht genomen. Tenminste eenmaal per 3 jaar wordt er een nieuw onderzoek ingesteld naar eventuele wijzigingen in de financiële- en persoonlijke situatie van de belanghebbende. 4.. Het aflossingsbedrag wordt vervolgens vastgesteld op 10% of 5% van de bijstandsnorm (afhankelijk van de soort vordering) verhoogd met 35% van het verschil tussen de van toepassing zijnde bijstandsnorm inclusief toeslag en het netto inkomen (het zogenaamde “meerinkomen”). 5.. Als belanghebbende niet meewerkt aan een onderzoek naar zijn draagkracht, wordt het aflossingsbedrag ambtshalve vastgesteld. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de gegevens waarover het college de beschikking heeft (zie de Wet Eenmalige Gegevensuitvraag Werk en Inkomen). Ook kan onder toepassing van artikel 60 lid 6 P-wet in dat geval direct beslag worden gelegd op het inkomen van de belanghebbende, waarbij de beslagvrije voet geheel komt te vervallen. 6.. Het aflossingsbedrag zoals medegedeeld in het besluit tot terugvordering of dat met de belanghebbende op grond van een minnelijke regeling wordt overeengekomen, geldt als een opgelegde betalingsverplichting.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel