Bij gedragingen zoals genoemd in artikel 9 wordt de maatregel vastgesteld op:
tien procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de eerste categorie;
twintig procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de tweede categorie;
honderd procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de derde categorie.
De duur van de maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt verdubbeld indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 6, tweede lid.
Indien een belanghebbende na de verwijtbare gedraging, als bedoeld in het tweede lid, zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van het daaruit voortvloeiende besluit opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging van dezelfde of hogere categorie, kan het college in afwijking van het bepaalde in artikel 7, met inachtneming van het gestelde in artikel 18, derde lid van de wet, de bijstand voor onbepaalde duur verlagen, rekening houdend met de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden van de belanghebbende.
Van voorgaande leden kan met toepassing van artikel 2 lid 2 worden afgeweken.
HOOFDSTUK 2
Artikel 10
De hoogte en duur van de maatregel
Onderdeel van Maatregelenverordening Wet werk en bijstand 2008