(Vervallen)
Artikel 19:8 Bericht van aanstelling
Lid 1
De vrijwilliger ontvangt voor indiensttreding kosteloos een bericht van aanstelling. Hierin wordt vermeld:
de naam, voornamen, geboorteplaats en geboortedatum van de vrijwilliger;
de duur van de aanstelling; bij een tijdelijke aanstelling wordt de periode waarvoor de aanstelling is aangegaan zo nauwkeurig mogelijk omschreven;
de ingangsdatum van de aanstelling;
de functie waarin de vrijwilliger is aangesteld en de vergoeding die aan hem wordt toegekend.
Lid 2
Het college deelt wijzigingen in de punten b tot en met d zo spoedig mogelijk, kosteloos, mee aan de vrijwilliger.
Artikel 19:9 Bevordering
Het college kan een vrijwilliger alleen tot een hogere functie bevorderen wanneer hij voldoet aan de eisen die het Besluit personeel veiligheidsregio’s daarvoor stelt. In het besluit tot bevordering worden ten minste de nieuwe functie en de daaraan verbonden vergoeding vermeld.
Artikel 19:10 Vervallen
(vervallen)
Paragraaf 3 Relatie hoofdwerkgever
Artikel 19:11 Informatie over hoofdwerkgever
Artikel 19:12 Informatie aan hoofdwerkgever
Artikel 19:11 Informatie over hoofdwerkgever
Lid 1
De vrijwilliger die in loondienst is verstrekt het college bij indiensttreding de contactgegevens van zijn hoofdwerkgever en informeert het college over zijn werktijden aldaar. De vrijwilliger informeert het college zo spoedig mogelijk over wijzigingen.
Lid 2
De vrijwilliger die werkzaam is als zelfstandig ondernemer informeert het college bij zijn indiensttreding hierover en verstrekt gegevens over de aard van zijn werkzaamheden en het tijdsbeslag daarvan. De vrijwilliger informeert het college zo spoedig mogelijk over wijzigingen.
Artikel 19:12 Informatie aan hoofdwerkgever
De vrijwilliger bericht zijn hoofdwerkgever zo spoedig mogelijk na indiensttreding dat:
hij aangesteld is als vrijwilliger bij de brandweer;
hij tijdens werktijd ingezet kan worden voor brandweerwerkzaamheden;
de Arbeidstijdenwet van toepassing is op zijn werkzaamheden voor de brandweer en dat bij de vaststelling van zijn werktijden hier rekening mee gehouden moet worden;
de gemeente hem een vergoeding verstrekt voor brandweeractiviteiten tijdens werktijd;
ingeval van ziekte als gevolg van een dienstongeval bij de brandweer, de hoofdwerkgever recht heeft op een vergoeding.
Paragraaf 4 Vergoedingen
Artikel 19:13 Vergoeding
Artikel 19:14 Jaarvergoeding
Artikel 19:15 Vergoeding voor oefeningen, cursussen en overige werkzaamheden
Artikel 19:16 Vergoeding voor daadwerkelijke brandbestrijding en hulpverlening
Artikel 19:17 Vergoeding voor langdurige aanwezigheid
Artikel 19:18 Consignatievergoeding
Artikel 19:19 Kazerneringsdienst
Artikel 19:20 Vergoeding tijdens en in verband met zwangerschap
Artikel 19:21 Opleidingskosten
Artikel 19:22 Gratificatie
Artikel 19:23 Fiscaal aantrekkelijke regelingen
Artikel 19:24 Salarismutaties
Artikel 19:13 Vergoeding
Lid 1
De vrijwilliger ontvangt zolang de aanstelling duurt een vergoeding overeenkomstig de regels van dit hoofdstuk en bijlage IIb van de CAR-UWO.
Lid 2
In afwijking van het eerste lid, ontvangt de medewerker die vanaf 31 december 1979 onafgebroken ambtenaar en als vrijwilliger werkzaam is, zolang de aanstelling duurt een vergoeding overeenkomstig de regels van dit hoofdstuk en bijlage IIc van de CAR-UWO.
Artikel 19:14 Jaarvergoeding
Lid 1
De vrijwilliger ontvangt elk kalenderjaar een jaarvergoeding.
Lid 2
De jaarvergoeding wordt vastgesteld op het bedrag dat in de bijlage, genoemd in artikel 19:13 is vermeld achter de functiecategorie, behorende bij de functie waarin de vrijwilliger is aangesteld, in de tweede kolom.
Lid 3
In de jaarvergoeding is een netto-bedrag opgenomen van € 136, ter vergoeding van onkosten die worden gemaakt in verband met de beroepsuitoefening.
Lid 4
In de jaarvergoeding voor de officieren is tevens een netto-onkostenvergoeding opgenomen van € 2 per in het kader van de beroepsuitoefening verrichte activiteit niet zijnde brandbestrijding of andere hulpverlening.
Artikel 19:15 Vergoeding voor oefeningen, cursussen en overige werkzaamheden
Lid 1
De vrijwilliger die deelneemt aan een oefening, een cursus volgt met toestemming van het college, of in opdracht van het college overige werkzaamheden verricht heeft recht op een vergoeding.
Lid 2
De vergoeding wordt vastgesteld aan de hand van het uurbedrag dat in de bijlage, genoemd in artikel 19:13 staat vermeld achter de functie waarin de vrijwilliger is aangesteld, in de derde kolom. Wanneer de vergoeding op nul is gesteld heeft de vrijwilliger voor die activiteit geen recht op vergoeding.
Lid 3
In de uurvergoeding genoemd in het tweede lid is een netto-onkostenvergoeding opgenomen van € 2 per activiteit voor vrijwilligers niet zijnde officieren.
Artikel 19:16 Vergoeding voor daadwerkelijke brandbestrijding en hulpverlening
Lid 1
De vrijwilliger die zich, na hiertoe opgeroepen te zijn, bezighoudt met daadwerkelijke brandbestrijding en hulpverlening ontvangt hiervoor een vergoeding.
Lid 2
De vergoeding wordt vastgesteld aan de hand van het uurbedrag dat in de bijlage, genoemd in artikel 19:13 staat vermeld achter de functiecategorie, behorende bij de functie van de vrijwilliger, in de vierde kolom.
Lid 3
In de uurvergoeding genoemd in het tweede lid is een netto-onkostenvergoeding opgenomen van € 2 per activiteit voor vrijwilligers niet zijnde officieren.
Artikel 19:17 Vergoeding voor langdurige aanwezigheid
Lid 1
De vrijwilliger die, in opdracht van het college, vijf uur of langer ingezet wordt voor oefeningen, cursussen of overige brandweerwerkzaamheden, ontvangt een vergoeding voor langdurige aanwezigheid. De vergoeding wordt vastgesteld aan de hand van het uurbedrag dat in bijlage, genoemd in artikel 19:13 staat vermeld achter de functiecategorie, behorende bij de functie waarin de vrijwilliger is aangesteld, in de vijfde kolom.
Lid 2
Wanneer de vergoeding op nul is gesteld heeft de vrijwilliger geen recht op een vergoeding voor langdurige aanwezigheid.
Lid 3
De vergoeding voor langdurige aanwezigheid wordt alleen verstrekt over die uren waarin de vrijwilliger daadwerkelijk geoefend heeft, een cursus gevolgd heeft of overige brandweerwerkzaamheden verricht heeft.
Artikel 19:18 Consignatievergoeding
De vrijwilliger die zich ter beschikking moet houden om opgeroepen te worden voor werkzaamheden ontvangt een consignatievergoeding. Deze vergoeding bedraagt:
per uur 16% van het bedrag genoemd in kolom drie van de bijlagen, genoemd in artikel 19:13 op zondagen, nieuwjaarsdag, tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, tweede Pinksterdag, de beide Kerstdagen, de dag waarop de verjaardag van de koningin wordt gevierd en iedere andere dag die daarnaast door het college wordt aangewezen als feestdag;
per uur 10% van het bedrag genoemd in kolom drie van de bijlagen, genoemd in artikel 19:13 voor alle overige dagen.
Artikel 19:19 Kazerneringsdienst
Het college kan bij lokale regeling regels stellen over de vergoeding van kazerneringsdiensten.
Artikel 19:20 Vergoeding tijdens en in verband met zwangerschap
Lid 1
De vrijwilliger bedoeld in artikel 19:29 heeft gedurende de periode dat zij niet ingezet wordt in de repressieve brandweerdienst, of niet deelneemt aan oefeningen recht op doorbetaling van de vergoedingen bedoeld in artikel 19:15 tot en met 19:18.
Lid 2
De hoogte van deze vergoeding wordt berekend op basis van het bedrag dat de vrijwilliger gemiddeld over het kwartaal voorafgaand aan de eerste dag van het verlof ontvangen heeft. Indien het arbeidspatroon in deze periode sterk afwijkt van het gebruikelijke, past het college deze berekening toe op een kalenderkwartaal waarin wel sprake was van een gebruikelijk arbeidspatroon.
Artikel 19:21 Opleidingskosten
Het college vergoedt de kosten van het volgen van een opleiding of een cursus, deelname aan examens en het bijwonen van bijeenkomsten, voor zover deze in opdracht van of met toestemming van het college zijn gemaakt.
Artikel 19:22 Gratificatie
Bij lokale regeling kan het college regels vaststellen voor het toekennen van een gratificatie.
Artikel 19:23 Fiscaal aantrekkelijke regelingen
De vrijwilliger kan gebruik maken van de lokale regeling met fiscaal gunstige personeelsvoorzieningen.
Artikel 19:24 Salarismutaties
De algemene salarismutaties voor de sector gemeenten zoals die in het LOGA worden overeengekomen, zijn wat betreft het percentage en de ingangsdatum van overeenkomstige toepassing op de bedragen genoemd in bijlage bij artikel 19:13. De overeenkomstig het vorige lid berekende vergoedingen worden wat betreft de jaarvergoeding afgerond op hele euro’s en wat betreft de overige vergoedingen op eurocenten.
Paragraaf 5 Verzekeringen en schadevergoeding
Artikel 19:25 Ongevallenverzekering
Artikel 19:26 Vergoeding geneeskundige kosten
Artikel 19:27 Verzekering zelfstandig ondernemers
Artikel 19:28 Schade aan kleding en uitrusting
Artikel 19:25 Ongevallenverzekering
Lid 1
Het college sluit een ongevallenverzekering af voor de vrijwilliger.
Lid 2
De ongevallenverzekering keert uit bij overlijden, tijdelijke en blijvende arbeidsongeschiktheid als gevolg van een dienstongeval, overeenkomstig de polisvoorwaarden.
Lid 3
De vrijwilliger wordt bij indiensttreding geïnformeerd over de inhoud van de verzekering.
Lid 4
Wijzigingen worden zo spoedig mogelijk ter kennis van de vrijwilliger gebracht.
Lid 5
De vrijwilliger ontvangt op zijn verzoek kosteloos een afschrift van de polisvoorwaarden.
Artikel 19:26 Vergoeding geneeskundige kosten
Lid 1
Het college vergoedt de vrijwilliger de noodzakelijk gemaakte medische kosten die ontstaan zijn als gevolg van een dienstongeval en die voor zijn rekening blijven. De vergoeding bedraagt ten hoogste het bedrag waarvoor het college zich terzake heeft verzekerd.
Lid 2
Indien het verzekerde bedrag niet toereikend is om de in het eerste lid genoemde medische kosten van de vrijwilliger te vergoeden, kan het college in bijzondere gevallen een tegemoetkoming verstrekken in de hogere kosten.
Artikel 19:27 Verzekering zelfstandig ondernemers
Lid 1
Het college kan voor de vrijwilliger die zelfstandig ondernemer is een aanvullende verzekering sluiten die voorziet in een uitkering bij blijvende arbeidsongeschiktheid als gevolg van een dienstongeval.
Lid 2
Het college informeert de vrijwilliger die het betreft bij indiensttreding of deze verzekering voor hem is afgesloten en indien dat het geval is wordt de vrijwilliger geïnformeerd over de dekking van de verzekering.
Artikel 19:28 Schade aan kleding en uitrusting
Het college vergoedt de vrijwilliger de schade aan zijn kleding, uitrusting en een hem toebehorend motorrijtuig in de zin van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen, die hij buiten zijn schuld of nalatigheid lijdt ten gevolge van de door hem verrichte werkzaamheden, voor zover de schade niet bestaat uit normale slijtage van die goederen.
Paragraaf 6 Zwangerschap
·Artikel 19:29 Zwangerschap
Artikel 19:29 Zwangerschap
Lid 1
De vrijwilliger meldt haar zwangerschap in een zo vroeg mogelijk stadium bij het college.
Lid 2
Gedurende de zwangerschap, tot zes maanden daarna en tijdens de periode van borstvoeding wordt de vrijwilliger niet ingezet voor repressieve brandweeractiviteiten.
Lid 3
Deelname aan brandweeroefeningen in de in het tweede lid genoemde situaties vindt alleen plaats na voorafgaande toestemming door de bedrijfsarts.
Paragraaf 7 Beschikbaarheid en overige plichten vrijwilliger
Artikel 19:30 Beschikbaarheid van de vrijwilliger
Artikel 19:31 Verplichtingen
Artikel 19:32 Eed of belofte
Artikel 19:33 Verboden
Artikel 19:34 Gebruik van motorrijtuig
Artikel 19:35 Kledingvoorschrift
Artikel 19:36 Verboden ten aanzien van de kleding
Artikel 19:37 Vergoeding van schade
Artikel 19:30 Beschikbaarheid van de vrijwilliger
Lid 1
Het college stelt regels over de beschikbaarheid van de vrijwilliger voor de brandweerdienst.
Lid 2
De vrijwilliger neemt deel aan oefeningen, bijeenkomsten en cursussen die door of vanwege het college zijn georganiseerd.
Lid 3
De vrijwilliger die niet beschikbaar is voor de brandweerdienst, of niet kan deelnemen aan een oefening, bijeenkomst of cursus doet daarvan tijdig melding, onder opgave van redenen en overeenkomstig de instructie van het college.
Artikel 19:31 Verplichtingen
De vrijwilliger dient zijn werkzaamheden nauwgezet en ijverig te verrichten en zich te gedragen als een goed vrijwilliger.
Artikel 19:32 Eed of belofte
De vrijwilliger is verplicht de eed of belofte af te leggen die bij wet, bij instructie of bij besluit van het college is voorgeschreven.
Artikel 19:33 Verboden
Het is de vrijwilliger verboden:
de aan de gemeente toebehorende eigendommen aan te wenden voor persoonlijk gebruik, tenzij hiervoor toestemming is verleend door of namens het college;
vergoedingen, beloningen, giften of beloften van derden te vorderen, te verzoeken of aan te nemen, tenzij hiervoor toestemming is verleend door of namens het college;
steekpenningen aan te nemen.
Artikel 19:34 Gebruik van motorrijtuig
Het is de vrijwilliger slechts toegestaan een motorrijtuig in de zin van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen te gebruiken ten behoeve van zijn werkzaamheden als vrijwilliger, indien hem daartoe door het college toestemming is verleend. Aan deze toestemming kunnen bepaalde voorwaarden worden verbonden.
Artikel 19:35 Kledingvoorschrift
Lid 1
De vrijwilliger is verplicht tijdens zijn werkzaamheden de door het college voorgeschreven dienstkleding en uitrustingsstukken te dragen.
Lid 2
De dienstkleding en uitrustingsstukken worden door het college kosteloos in bruikleen verstrekt aan de vrijwilliger, die bij ontslag verplicht is deze bij het college in te leveren.
Lid 3
De vrijwilliger draagt zorg voor het onderhoud van de hem in bruikleen verstrekte dienstkleding en uitrustingsstukken en hij is verplicht deze te doen onderwerpen aan inspectie en controle, wanneer daartoe door het college opdracht is gegeven.
Lid 4
Het college is verantwoordelijk voor reparatie van de dienstkleding en uitrustingsstukken.
Artikel 19:36 Verboden ten aanzien van de kleding
Het is de vrijwilliger verboden:
de dienstkleding en uitrustingsstukken te dragen wanneer hij geen werkzaamheden als vrijwilliger verricht, behalve in de gevallen waarin het college daarvoor toestemming heeft verleend;
de dienstkleding en uitrustingsstukken aan derden in bruikleen te geven;
dienstkleding te dragen voorzien van:
andere rangonderscheidingstekenen dan die verbonden aan de rang, behorende bij de functie die de vrijwilliger bekleedt;
insignes en andere onderscheidingstekenen, tenzij tot het dragen daarvan door de staat of door het college toestemming is verleend.
Artikel 19:37 Vergoeding van schade
Lid 1
De vrijwilliger die door zijn schuld of nalatigheid de gemeente schade toebrengt kan verplicht worden deze schade geheel of gedeeltelijk te vergoeden.
Lid 2
De vrijwilliger wordt in de gelegenheid gesteld om zijn wensen kenbaar te maken ten aanzien van de inhouding van de schadevergoeding op zijn vergoeding.
Paragraaf 8 Disciplinaire maatregelen schorsing in het belang van de dienst
Artikel 19:38 Plichtsverzuim
Artikel 19:39 Disciplinaire straffen
Artikel 19:40 Schorsing in het belang van de dienst
Artikel 19:38 Plichtsverzuim
Lid 1
De vrijwilliger die zich aan plichtsverzuim schuldig maakt, kan disciplinair worden gestraft.
Lid 2
Plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van een voorschrift als het overigens doen of nalaten van iets dat een goed vrijwilliger in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.
Artikel 19:39 Disciplinaire straffen
De volgende disciplinaire straffen kunnen worden opgelegd:
schriftelijke berisping;
inhouding van een deel van de jaarvergoeding bedoeld in artikel 19:14;
schorsing voor een bepaalde tijd, al dan niet met inhouding van de vergoeding;
ongevraagd ontslag.
Artikel 19:40 Schorsing in het belang van de dienst
De vrijwilliger kan voor een bepaalde tijd geschorst worden:
wanneer hem de straf van disciplinair ontslag is opgelegd of hem het voornemen daartoe kenbaar is gemaakt;
wanneer tegen hem, op grond van het daartoe bepaalde in het Wetboek van Strafvordering, een bevel tot inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis ten uitvoer wordt gelegd;
wanneer tegen hem een strafrechtelijke vervolging is ingesteld wegens misdrijf;
in andere gevallen waarin het belang van de dienst dit noodzakelijk maakt.
Paragraaf 9 Ontslag
Artikel 19:41 Ontslag op eigen verzoek
Artikel 19:42 Ongevraagd ontslag
Artikel 19:43 Einde tijdelijk dienstverband
Artikel 19:41 Ontslag op eigen verzoek
Lid 1
Het college verleent eervol ontslag aan de vrijwilliger die daarom verzoekt.
Lid 2
Dit ontslag wordt verleend met ingang van een datum die ten minste een maand en ten hoogste drie maanden ligt na de datum van ontvangst van het verzoek.
Lid 3
Het college kan een beslissing op het verzoek om eervol ontslag aanhouden, wanneer tegen de vrijwilliger een strafrechtelijke vervolging wegens misdrijf loopt, of wanneer overwogen wordt de vrijwilliger disciplinair te straffen. Beslissing op het ontslagverzoek vindt plaats zodra de uitspraak van de rechter onherroepelijk geworden is, respectievelijk zodra besloten is de vrijwilliger al dan niet disciplinair te straffen.
Artikel 19:42 Ongevraagd ontslag
Lid 1
Het college kan de vrijwilliger ongevraagd ontslag verlenen op grond van:
het eindigen van de noodzaak tot beschikbaarheidsstelling of wegens verandering van de brandweerorganisatie;
de omstandigheid dat hij door de aard of de plaats van zijn dagelijkse werkzaamheden dan wel de ligging van zijn woning geacht moet worden niet langer in staat te zijn taak bij de brandweer te vervullen;
onbekwaamheid of ongeschiktheid tot het verrichten van zijn werkzaamheden op grond van ziekten of gebreken;
onbekwaamheid of ongeschiktheid tot het verrichten van zijn werkzaamheden anders dan op grond van ziekten of gebreken;
onder curatelestelling;
toepassing van lijfsdwang wegens schulden krachtens onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak;
onherroepelijk geworden veroordeling tot vrijheidsstraf wegens misdrijf;
een in het ontslagbesluit genoemde andere grond;
Lid 2
Het ongevraagd ontslag wordt eervol verleend, met uitzondering van het ontslag op de grond genoemd in het eerste lid, onderdeel g van dit artikel.
Artikel 19:43 Einde tijdelijk dienstverband
Lid 1
De tijdelijke aanstelling eindigt van rechtswege op de laatste dag van de periode waarvoor deze is aangegaan. Wordt het dienstverband nadien feitelijk gehandhaafd zonder dat opnieuw een tijdelijke aanstelling is verleend, dan is de vrijwilliger met ingang van de eerste dag na het verstrijken van vorenbedoelde periode in vaste dienst.
Lid 2
De tijdelijke aanstelling kan tussentijds ongevraagd beëindigd worden op een van de gronden genoemd in artikel 19:42.
Bijlagen
Bijlage IIb en IIc Vergoedingentabel vrijwilligers bij de gemeentelijke brandweer
Vergoedingentabellen
De actuele tabellen kunt u vinden in de bijlagen IIb en IIc.
Bijlage IIb Vergoedingentabel vrijwilligers bij de gemeentelijke brandweer
Bijlage IIc Gebruteerde vergoedingentabel vrijwilligers bij de gemeentelijke brandweer
19a Keuringen brandweerpersoneel
Artikel 19a:1 Algemeen
Lid 1
Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar die bij de brandweer is aangesteld, als beroeps of vrijwilliger, in de functie van bevelvoerder en manschap A en B, zoals vermeld in het Besluit personeel veiligheidsregio’s.
Lid 2
Het college kan in aanvulling op het eerste lid andere functies bij de brandweer aanwijzen waarop dit hoofdstuk van toepassing is.
Artikel 19a:2 Aanstellingskeuring
Lid 1
Aanstelling in een functie, bedoeld in artikel 19a:1, is alleen mogelijk als na een geneeskundig onderzoek gericht op de te bekleden functie blijkt dat tegen het bekleden van de functie uit medisch oogpunt geen bezwaren bestaan.
Lid 2
Het geneeskundig onderzoek bestaat uit de onderdelen zoals opgenomen in de aanstellingskeuring in bijlage VIIa van de CAR.
Lid 3
Het geneeskundig onderzoek wordt gedaan door geneeskundigen, die daartoe door het college zijn aangewezen.
Lid 4
De kosten van het geneeskundig onderzoek komen ten laste van de gemeente.
Artikel 19a:3 Periodiek Preventief Medisch Onderzoek
Lid 1
Periodiek wordt de medische gezondheid van de ambtenaar, die is aangesteld in een functie, bedoeld in artikel 19a:1, getoetst conform het Periodiek Preventief Medisch Onderzoek (PPMO).
Lid 2
Het PPMO bestaat uit de onderdelen, zoals opgenomen in bijlage VIIb van de CAR.
Lid 3
Het geneeskundig onderzoek geschiedt voor de ambtenaar gelijktijdig of minimaal een half jaar na indienstreding.
Lid 4
Het geneeskundig onderzoek geschiedt voor de ambtenaar met een leeftijd van:
jonger dan veertig één keer in de vier jaar;
tussen de veertig en vijftig één keer per twee jaar;
ouder dan vijftig jaar eens per jaar.
Lid 5
Als het college daar aanleiding toe ziet kan in afwijking van de frequentie zoals bedoeld in lid 4 een tussentijdse keuring worden afgenomen.
Lid 6
Als de uitkomst van het PPMO daar aanleiding toe geeft, kan het college de medewerker tijdelijk en voor een vooraf bepaalde tijd van een aantal of het totaal van zijn taken vrijstellen. Deze bepaalde tijd kan in bijzondere gevallen, zolang de mate van ongeschiktheid zich voordoet, worden verlengd.
Lid 7
Bij geheel of gedeeltelijke vrijstelling van taken houdt de beroepsmedewerker recht op zijn bezoldiging en de vrijwillige medewerker op zijn vergoeding, met dien verstande dat het recht op toeslagen en vergoedingen alleen geldt als de werkzaamheden van de medewerker recht hierop geven. Bij geheel of gedeeltelijke vrijstelling wegens ziekte en ongeschiktheid is hoofdstuk 7 onverkort van toepassing.
Lid 8
Het college kan de medewerker die is aangesteld als beroeps gedurende de tijdelijke vrijstelling van taken andere werkzaamheden opleggen.
Artikel 19a:4 Fysieke test
Jaarlijks wordt de fysieke conditie van de ambtenaar, die is aangesteld in een functie bedoeld in artikel 19a:1, getoetst.
19b Aanvullende rechtspositieregeling voor de ambtenaar in een instelling voor kunsteducatie
Paragraaf 1 Algemene bepalingen
Artikel 19b:1 Werkingssfeer
Artikel 19b:2 Begripsbepaling
Artikel 19b:3 Functie-eisen
Artikel 19b:4 Functioneringsgesprek
Artikel 19b:5 Verdeling van werkzaamheden
Artikel 19b:1 Werkingssfeer
Dit hoofdstuk is van toepassing op ambtenaren werkzaam in de kunsteducatie in de functie van:
docent, bedoeld in bijlage IVa1;
consulent, bedoeld in bijlage IVa1;
balletbegeleider, bedoeld in bijlage IVa1.
Artikel 19b:2 Begripsbepaling
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder instelling: een onderdeel van de gemeente dat kunsteducatie aanbiedt of ondersteunt.
Artikel 19b:3 Functie-eisen
Lid 1
Een voorwaarde bij aanstelling is dat de ambtenaar werkzaam in de functie van docent en consulent in het bezit is van een diploma van een HBO-opleiding op zijn specifieke vakgebied.
Lid 2
In uitzonderlijke gevallen kan het college, na overleg erover met de OR, afwijken van het eerste lid.
Artikel 19b:4 Functioneringsgesprek
Na elke periode van een jaar wordt met de ambtenaar een functioneringsgesprek gehouden.
Artikel 19b:5 Verdeling van werkzaamheden
Lid 1
Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
lesgebonden uren: alle uren waarin direct en educatief contact is met leerlingen;
niet-lesgebonden uren: alle uren die niet te kwalificeren zijn als lesgebonden uren;
sjabloon: opsomming van werkzaamheden binnen lesgebonden en niet-lesgebonden uren.
Lid 2
Niet-lesgebonden uren als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b zijn in te delen in de volgende vier categorieën:
het voorbereiden van lesgebonden uren;
het in opdracht van de werkgever reizen tussen locaties van dezelfde instelling;
activiteiten voor opleiding en ontwikkeling, of andere activiteiten die ertoe bijdragen de eigen vakbekwaamheid op peil te houden;
algemene werkzaamheden in het belang van de instelling.
Lid 3
Het college stelt aan de hand van het sjabloon van bijlage IVa een regeling vast waarin per discipline de verhouding lesgebonden versus niet-lesgebonden uren staat. In de regeling kan per discipline een afwijking op deze verhouding en de voorwaarden daarvoor worden opgenomen. Voor de vaststelling van deze regeling is overeenstemming vereist tussen de werkgever en de OR.
Lid 4
Het college stelt aan de hand van de regeling, bedoeld in het derde lid, voor iedere ambtenaar vast wat voor zijn functie de verhouding lesgebonden versus niet-lesgebonden uren is.
Lid 5
Zolang voor de functie van de ambtenaar de verhouding, bedoeld in het vierde lid, nog niet is vastgesteld, heeft de ambtenaar maximaal 65% van zijn formele arbeidsduur aan lesgebonden uren en minimaal 35% van zijn formele arbeidsduur aan niet-lesgebonden uren.
Paragraaf 2 Salariëring
Artikel 19b:6 Vaststelling salaris
Artikel 19b:7 Aanloopbedragen
Artikel 19b:8 Uitloopbedragen
Artikel 19b:9 Recht op toelage onregelmatige dienst
Artikel 19b:6 Vaststelling salaris
Lid 1
In plaats van bijlage II en IIa, past het college de salaristabel, genoemd in bijlage IV, toe bij het vaststellen van het salaris van de ambtenaar.
Lid 2
Het functiewaarderingssysteem, bedoeld in artikel 3:1, eerste lid, is niet van toepassing. De functie van
balletbegeleider is gewaardeerd op schaal 5;
docent is gewaardeerd op schaal 8;
consulent is gewaardeerd op schaal 9.
Lid 3
Het college bepaalt met inachtneming van het tweede lid de invoering en de waardering van junior- of seniorfuncties. Het college stelt hiervoor de functiebeschrijving vast.
Artikel 19b:7 Aanloopbedragen
Lid 1
Als een ambtenaar in een functie wordt benoemd zonder dat hij reeds voldoet aan alle daarvoor geldende eisen van ervaring, opleiding of vaardigheden, kan zijn salaris worden vastgesteld in één van de aanloopbedragen van de bij de functie behorende salarisschaal. De aanloopbedragen zijn opgenomen in de salaristabel, genoemd in bijlage IV.
Lid 2
Het college stelt regels vast voor het gebruik van aanloopbedragen en voor de bevordering naar een bij de functie behorende salarisschaal.
Artikel 19b:8 Uitloopbedragen
Lid 1
In de salaristabel, genoemd in bijlage IV, zijn uitloopbedragen opgenomen.
Lid 2
Een ambtenaar krijgt na twee achtereenvolgende jaren ingeschaald te zijn in het maximum van de bij de functie behorende salarisschaal een periodieke verhoging naar het eerste uitloopbedrag. Vervolgens vindt periodieke verhoging iedere keer na twee jaar plaats.
Artikel 19b:9 Recht op toelage onregelmatige dienst
Lid 1
Artikel 3:11 is niet van toepassing. De ambtenaar heeft wel recht op een toelage onregelmatige dienst over volle uren arbeid verricht op zondag.
Lid 2
De toelage onregelmatige dienst wordt uitgekeerd in de vorm van verlof en bedraagt 25% van de uren.
Lid 3
Het verlof, bedoeld in het tweede lid, wordt op verzoek van de ambtenaar verleend tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten en toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 6:2:4, eerste lid, of aan artikel 6:2:6.
Lid 4
Indien zowel het college als de ambtenaar dat wensen, wordt de toelage, in afwijking van het eerste lid, in geld verstrekt.
Paragraaf 3 Arbeidsduur en vakantie
Artikel 19b:10 Vakantie-uren
Artikel 19b:11 Verplicht vrije periodes
Artikel 19b:12 Vaststellen van het rooster
Artikel 19b:13 Overgangsrecht
Artikel 19b:14 Ontslagbescherming tijdens overgangstermijn
Artikel 19b:15 Samenloop zwangerschaps- en bevallingsverlof met een verplicht vrije periode
Artikel 19b:10 Vakantie-uren
Lid 1
In afwijking van artikel 6:2 is de duur van de vakantie voor de ambtenaar met een volledige betrekking 180 uur, indien
met toepassing van artikel 19b:11 een deel van het jaar is aangemerkt als verplicht vrije periode of
de ambtenaar geen verlof kan opnemen door het toegewezen hebben gekregen van lessen/cursussen
Bij een deeltijdbetrekking geldt de duur van de vakantie naar rato.
Lid 2
De vakantie-uren worden gelijkelijk over de verplicht vrije periodes en eventueel de vrij opneembare vakantie verdeeld, met een maximum van 36 uur per week.
Artikel 19b:11 Verplicht vrije periodes
Lid 1
Het college stelt per cursusjaar 12 weken vast, waarin de ambtenaar verplicht vrij is.
Lid 2
De ambtenaar houdt zich op verzoek van het college gedurende maximaal een week tijdens de verplicht vrije periode beschikbaar voor werkzaamheden.
Lid 3
Afwijkingen van het eerste lid zijn mogelijk indien de ondernemingsraad dan wel de ambtenaar daarmee instemt.
Artikel 19b:12 Vaststellen van het rooster
Lid 1
In afwijking van artikel 4:4 lid 2, is op de ambtenaar artikel 5.7 van de Arbeidstijdenwet van toepassing.
Lid 2
In aanvulling op artikel 4:4 lid 3 verstrekt het college zo snel mogelijk maar in ieder geval binnen twee maanden na ingang van een cursusjaar een rooster van de in dat cursusjaar te werken uren.
Lid 3
Als substantiële wijzigingen optreden in het rooster, verstrekt het college zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen een maand, een aangepast rooster.
Artikel 19b:13 Overgangsrecht
Lid 1
Voor de ambtenaar met een volledig dienstverband, die op 31 december 2008 een kortere arbeidsduur heeft dan 1836 uur per jaar, wordt de arbeidsduur met ingang van 1 januari 2009 met 72 uur per jaar verhoogd. Deze verhogingen vinden plaats totdat voor de ambtenaar een arbeidsduur geldt van 1836 uur per jaar. Voor een ambtenaar met een deeltijdbetrekking gelden deze verhogingen naar rato.
Lid 2
Indien een ambtenaar na 1 januari 2009 wordt aangesteld, geldt voor deze ambtenaar een arbeidsduur zoals die geldt voor de ambtenaren, die in dienst zijn van de instelling.
Artikel 19b:14 Ontslagbescherming tijdens overgangstermijn
Tot 1 januari 2012 vindt geen ontslag plaats op grond van artikel 8:3 indien en voor zover dit ontslag uitsluitend wordt veroorzaakt door verhoging van het aantal te werken uren als bedoeld in artikel 19b:13.
Artikel 19b:15 Samenloop zwangerschaps- en bevallingsverlof met een verplicht vrije periode
Lid 1
Bij samenloop van een verplichte vrije periode als bedoeld in artikel 19b:11, eerste lid, met zwangerschaps- en bevallingsverlof heeft de ambtenaar met een volledige betrekking recht op compensatie van het vakantieverlof tot 144 uur vakantieverlof per jaar.
Lid 2
Een ambtenaar met een deeltijd betrekking heeft naar rato recht op compensatie van het vakantieverlof tot 144 uur vakantieverlof per jaar.
Lid 3
Vakantie voor de gecompenseerde vakantie-uren wordt op verzoek van de ambtenaar verleend tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten en toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 6:2:4, eerste lid, of aan artikel 6:2:6.
Paragraaf 4 Ontslag en uitkeringen
Artikel 19b:16 Overtolligheid
Artikel 19b:17 Reorganisatieontslag en ontslagvolgorde
Artikel 19b:18 Reorganisatieontslag voor minder dan 5 uur of, bij een formele arbeidsduur van minder dan 10 uur, voor minder dan de helft van de formele arbeidsduur
Artikel 19b:19 Garantie-uitkering KV
Artikel 19b:16 Overtolligheid
Uiterlijk in de tiende week van elk cursusjaar bekijkt het college of het totaal aantal uren werk voor ambtenaren met dezelfde functie overeenkomt met de totale aanstellingsomvang van deze ambtenaren.
Artikel 19b:17 Reorganisatieontslag en ontslagvolgorde
Lid 1
Bij ontslag op grond van artikel 8:3 wordt, zolang het plan, bedoeld in artikel 8:3, derde lid, nog niet bestaat, de volgende ontslagvolgorde gehanteerd:
(deeltijd)ontslag verlenen aan ambtenaren die daarvoor in aanmerking wensen te komen;
aanstellingen voor bepaalde tijd niet te verlengen;
(deeltijd)ontslag verlenen aan ambtenaren na toepassing van het afspiegelingsbeginsel in combinatie met anciënniteitsbeginsel.
Lid 2
Bij toepassing van het afspiegelingsbeginsel, genoemd in het eerste lid, onderdeel c, wordt binnen categorieën van ambtenaren met dezelfde functies uitgegaan van de volgende drie leeftijdsgroepen:
van 15 tot 30 jaar;
van 30 tot 45 jaar; en
van 45 jaar en ouder.
Lid 3
Het college kan in uitzonderlijke gevallen afwijken van de ontslagvolgorde, genoemd in het tweede lid.
Artikel 19b:18 Reorganisatieontslag voor minder dan 5 uur of, bij een formele arbeidsduur van minder dan 10 uur, voor minder dan de helft van de formele arbeidsduur
Lid 1
Dit artikel is van toepassing op de ambtenaar die voor minder dan 5 uur of, bij een formele arbeidsduur van minder dan 10 uur, voor minder dan de helft van zijn formele arbeidsduur wordt ontslagen.
Lid 2
Voor de ambtenaar geldt de ontslagvolgorde uit het plan, bedoeld in artikel 8:3, derde lid.
Lid 3
Zolang het plan, bedoeld in artikel 8:3, derde lid, nog niet bestaat, is artikel 19b:17 van overeenkomstige toepassing.
Lid 4
Op de ambtenaar is hoofdstuk 10d niet van toepassing. Ontslag op grond van artikel 8:3 vindt slechts plaats indien het na een zorgvuldig onderzoek niet mogelijk is gebleken om de ambtenaar binnen de openbare dienst van de gemeente andere mede in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden voor hem passende werkzaamheden op te dragen, dan wel indien deze zodanige werkzaamheden weigert te aanvaarden.
Lid 5
Bij ontslag op grond van artikel 8:3 wordt een opzegtermijn van drie maanden in acht genomen.
Artikel 19b:19 Garantie-uitkering KV
Lid 1
Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder
de ambtenaar: de ambtenaar die voor minder dan 5 uur of, bij een formele arbeidsduur van minder dan 10 uur, voor minder dan de helft van zijn formele arbeidsduur wordt ontslagen
minimumuurloon: het naar een uur herleid minimumloon als bedoeld in de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag.
Lid 2
De garantie-uitkering KV is de uitkering aan de ambtenaar die:
gedeeltelijk werkloos is als gevolg van een ontslag op grond van artikel 8:3;
in de 39 weken onmiddellijk voorafgaand aan het ontslag in tenminste 26 weken als werknemer als bedoeld in artikel 3 van de Werkloosheidswet werkzaam is geweest;
aantoont dat hij in de periode van vijf jaren onmiddellijk voorafgaand aan het jaar waarin zijn eerste werkloosheidsdag is gelegen, in tenminste vier jaren over 52 of meer dagen per jaar loon heeft ontvangen;
ter zake van het arbeidsurenverlies geen WW-recht heeft.
Lid 3
De duur van de garantie-uitkering KV is afhankelijk van de lengte van het dienstverband bij de instelling. Bij een dienstverband van:
een tot twee jaar is de duur van de uitkering 6 maanden;
twee tot drie jaar is de duur van de uitkering 12 maanden;
drie tot vier jaar is de duur van de uitkering 18 maanden;
ten minste vier jaar is de duur van de uitkering 24 maanden.
Lid 4
De garantie-uitkering KV bedraagt:
gedurende de eerste twaalf maanden 70% van het uurloon op de dag voorafgaand aan het ontslag, vermenigvuldigd met het aantal verloren arbeidsuren, en
vervolgens 70% van het minimumuurloon, vermenigvuldigd met het aantal verloren arbeidsuren.
Lid 5
In afwijking van het tweede tot en met het vierde lid heeft de ambtenaar die niet voldoet aan de voorwaarde in het tweede lid onder c, maar wel aan de overige voorwaarden in het tweede lid, recht op een garantie-uitkering KV gedurende 6 maanden. Deze uitkering bedraagt 70% van het minimumuurloon vermenigvuldigd met het aantal verloren arbeidsuren.
Lid 6
De ambtenaar aan wie een garantie-uitkering KV is toegekend, is verplicht zich in te schrijven als werkzoekende bij het CWI en zich beschikbaar te stellen voor het aannemen van passende werkzaamheden. Daarnaast dient hij alle informatie te verstrekken die voor de uitvoering van deze regeling noodzakelijk is. Bij het niet nakomen van deze verplichtingen kan het college besluiten de garantie-uitkering (gedeeltelijk) te beëindigen.
Lid 7
Indien de ambtenaar aan wie een garantie-uitkering KV is toegekend, na zijn ontslag nieuwe werkzaamheden ter hand neemt, wordt de garantie-uitkering KV beëindigd met het aantal uren dat de nieuwe werkzaamheden omvat.
Lid 8
Indien het recht op een garantie-uitkering KV op grond van het zevende lid geheel of gedeeltelijk is beëindigd, en vervolgens de werkzaamheden die tot dat eindigen hebben geleid, hebben opgehouden te bestaan, herleeft het recht op de garantie-uitkering KV voor zover er geen nieuwe rechten op enige uitkering uit hoofde van het ontslag uit deze werkzaamheden zijn ontstaan.
Lid 9
Het recht op de garantie-uitkering KV eindigt volledig:
als de ambtenaar ter zake van het arbeidsurenverlies, dat tot het toekennen van een garantie-uitkering heeft geleid, een andere uitkering kan krijgen;
met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin de ambtenaar volledig gebruik maakt van het ABP Keuzepensioen;
op de dag na het overlijden van de ambtenaar;
met ingang van de dag waarop de ambtenaar recht krijgt op een WAO- of WIA-uitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer.
20 Aanvullende regelingen voor brandweerpersoneel
Paragraaf 1 Vergoeding piketdienst beroepsbrandweer
Artikel 20:1:1 Vergoeding piketdienst beroepsbrandweer
Artikel 20:1:2 Vergoeding piketdienst beroepsbrandweer
Artikel 20:1:3 Vergoeding piketdienst beroepsbrandweer
Artikel 20:1:1 Vergoeding piketdienst beroepsbrandweer
De ambtenaar, op wie de verplichting rust zich buiten de voor hem geldende werktijden ter beschikking te houden ten behoeve van de brandweerdienst, heeft aanspraak op een vergoeding.
Artikel 20:1:2 Vergoeding piketdienst beroepsbrandweer
Deze vergoeding bestaat uit verlof, dat door de commandant wordt verleend zo spoedig mogelijk in de regel binnen zes kalenderweken na het tijdvak waarin de ambtenaar zich ter beschikking moest houden. Het verlof bedraagt 16% van het aantal uren, waarin hij zich ter beschikking moest houden, voor zover deze vielen op zondag, nieuwjaarsdag, tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, tweede Pinksterdag, de beide Kerstdagen, de dag waarop de verjaardag van de koning wordt gevierd en iedere andere dag, die daarboven door het college wordt aangewezen en 10% van het aantal uren waarin hij zich ter beschikking moest houden, indien deze uren vielen op andere dagen.
Artikel 20:1:3 Vergoeding piketdienst beroepsbrandweer
Indien naar het oordeel van de commandant het dienstbelang zich verzet tegen het toekennen van verlof, wordt een vergoeding in geld gegeven. De vergoeding bedraagt 16% van het 1/156 gedeelte van het salaris per maand voor elk uur, waarin de ambtenaar zich ter beschikking moet houden, voor zover deze uren vielen op zondag, nieuwjaarsdag, tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, tweede Pinksterdag, de beide Kerstdagen, de dag waarop de verjaardag van de koning wordt gevierd en iedere andere dag die daarboven door het college wordt aangewezen en 10% van dat salarisgedeelte voor elk uur, waarin hij zich ter beschikking moest houden, indien deze uren vielen op andere dagen. De uitbetaling heeft zo spoedig mogelijk plaats.
Paragraaf 2 Toepasselijkheid van hoofdstuk 3 op brandweerpersoneel in dienstroosters
·Artikel 20:2 Toepasselijkheid van hoofdstuk 3 op brandweerpersoneel in dienstroosters
Artikel 20:2 Toepasselijkheid van hoofdstuk 3 op brandweerpersoneel in dienstroosters
Lid 1
Dit artikel is van toepassing op de ambtenaar die bij een Veiligheidsregio, onderdeel brandweer, werkzaam is in een dienstrooster, en die voor wat betreft de vaststelling van zijn werktijden valt onder artikel 4:8.
Lid 2
De artikelen 3:11 en 3:18 zijn niet van toepassing op de ambtenaar genoemd in het eerste lid. Voor deze ambtenaar zijn de lokale regels over vergoeding van het verrichten van onregelmatige diensten en overwerk van toepassing, zoals deze op 31 december 2015 lokaal golden.
Lid 3
Indien op 31 december 2015 lokaal een regeling verschuivingstoelage van kracht was, dan blijft deze regeling vanaf 1 januari 2016 van toepassing op de ambtenaar genoemd in het eerste lid.
Lid 4
Indien op 31 december 2015 lokaal een regeling van kracht was die voorziet in een functiegebonden toelage dan blijft deze regeling vanaf 1 januari 2016 van toepassing voor de ambtenaar genoemd in het eerste lid.
Lid 5
Het bepaalde in dit artikel laat onverlet dat de in de leden 2 tot en met 4 genoemde lokale regelingen in het lokale overleg gewijzigd kunnen worden.
21 De rechtspositionele erkenning van alternatieve samenlevingsvormen
Artikel 21:1:1 Begripsomschrijving
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder levenspartner verstaan: een persoon met wie de niet-gehuwde ambtenaar samenwoont en met het oogmerk duurzaam samen te leven een gemeenschappelijke huishouding voert, hetgeen blijkt uit een schriftelijke verklaring, ingericht volgens door het college nader te stellen regels. Tegelijkertijd kan slechts één persoon als levenspartner worden aangemerkt.
Artikel 21:1:2 Gelijkstelling levenspartner met echtgenoot
De bepalingen die gelden voor de gehuwde ambtenaar, zijn op overeenkomstige wijze van toepassing op de ambtenaar met een levenspartner. Waar in deze bepalingen staat "echtgenoot" moet tevens worden gelezen "levenspartner".
Artikel 21:1:3 Vervallen
(Vervallen)
Artikel 21:1:4 Gelijkstelling levenspartner met echtgenoot
In gevallen waarin dit hoofdstuk niet of niet naar redelijkheid voorziet, treft het college een passende voorziening.
22 Overgangs- en slotbepaling UWO
Artikel 22:1:1 Overgangs- en slotbepaling UWO
Lid 1
Deze regeling treedt uiterlijk in werking op 1 januari 1998.
Lid 2
Met ingang van de datum waarop deze regeling in werking treedt, dan wel gedeelten daarvan in werking treden, vervallen de bepalingen van het geldende algemeen ambtenarenreglement dan wel van die verordeningen, die tekstueel dan wel materieel gelijkluidend zijn aan de bepalingen van deze regeling.
Lid 3
Indien de inwerkingtreding van deze regeling ertoe leidt dat bepalingen uit het geldende algemeen ambtenarenreglement dan wel uit verordeningen vervallen, waardoor aanspraken van individuele ambtenaren in neerwaartse of opwaartse zin worden bijgesteld, vindt overleg plaats over de gevolgen daarvan.
Aanvullende regelingen gemeente Kapelle
Aanstelling, arbeidsuur & ontslag
Beeldschermbril
Functiebeschrijving, -waardering & gesprekken
Functioneringsgesprekken/personeelsbeoordeling/flexibele beloning
Nevenfuncties
Opleidingsbeleid
Salaris & vergoedingen
Verlof, ADV en Brugdagen
Ziekte & verzuim
Aanstelling, arbeidsduur en ontslag
Inhoudsopgave
1 Aanstelling
2 Arbeidsduur
3 Aanpassing arbeidsduur
4 Ontslag
1 Aanstelling
Het dienstverband met de gemeente vindt plaats op basis van een publiekrechtelijke aanstelling. Dat wil zeggen dat het publiekrecht (bv. Algemene wet bestuursrecht, Ambtenarenwet en Gemeentewet) op de aanstelling van toepassing is en niet het zgn. privaatrecht (Burgerlijk wetboek etc.) In het aanstellingsbesluit wordt aangehaakt bij de belangrijkste van toepassing zijnde regeling, de CAR-UWO (Collectieve Arbeidsvoorwaarden Regeling- Uitwerkingsovereenkomst) en staan o.a. gegevens betreffende de functie, de datum van aanstelling, de duur van de aanstelling, de wekelijkse arbeidsduur en het salaris.
Het dienstverband kan voor bepaalde of onbepaalde tijd worden aangegaan.
Bij een aanstelling voor bepaalde tijd wordt in het aanstellingsbesluit vermeld, wanneer het dienstverband afloopt. Een dienstverband voor bepaalde tijd mag in principe niet langer dan 36 maanden duren. Bij een aanstelling bij wijze van proef is dit 24 maanden.
2 Arbeidsduur
De wekelijkse arbeidsduur bedraagt in principe 36 uur per week. Er wordt binnen de gemeente Kapelle echter 38,75 uur per week gewerkt ofwel 7,75 uur per dag. De extra gewerkte uren worden vertaald in 143 ADV-uren op jaarbasis (uitgaande van een full time dienstverband, anders naar rato van het aantal te werken uren). Deze uren worden op de verlofkaart bijgeschreven.
Ook bestaat de mogelijkheid om met inlevering van de adv en vier uur salaris per week vier maal acht uur te werken. Men wordt dan parttimer met een aanstelling van 32 uur per week. Op die manier is dan een vierdaagse werkweek mogelijk.
De Gemeente Kapelle kent een systeem van variabele werktijden. De aanvang van het werk ligt tussen 07:30 uur en 09.00 uur; de middagpauze van minimaal een half uur tussen 12:00 en 14:00 uur; het einde van het werk tussen 16:00 en 18:00 uur. Iedereen die meer dan 5:30 uur op één dag werkt dient een maaltijdpauze te nemen van minimaal 30 minuten.
3 Aanpassing arbeidsduur
Iedere medewerker heeft één maal per twee jaar het recht om zijn arbeidsduur te vermeerderen of te verminderen. Alleen zwaarwegend dienstbelang kan een reden zijn om aanpassing van de arbeidsduur niet toe te staan. Een verzoek tot aanpassing moet aan de volgende voorwaarden voldoen:
de medewerker moet minimaal 1 jaar in dienst zijn
het verzoek moet 4 maanden voor datum aanpassing schriftelijk worden ingediend
in het verzoek moet worden aangeven hoeveel uren meer of minder zal worden gewerkt en de spreiding over de week
De werkgever kan de medewerker met een dienstverband van 36 uur verzoeken de arbeidsduur uit te breiden naar maximaal 40 uur per week. Dit verzoek wordt gedaan in overleg met de OR en met toestemming van de werknemer. De arbeidsvoorwaarden worden aan deze uitbreiding aangepast.
4 Ontslag
Een aanstelling voor onbepaalde tijd kan alleen worden beëindigd op basis van een van de in de CAR-UWO beschreven ontslaggronden (o.a. eigen verzoek, pensioen,FPU).
Een aanstelling voor bepaalde tijd eindigt wanneer de termijn waarvoor men is aangesteld is verlopen.
In de CAR-UWO wordt het onderwerp ontslag uitvoerig toegelicht. Klik voor nadere informatie op intranetrubriek CAO.
Toestemmingsformulier aanschaf beeldschermbril
Toestemmingsformulier aanschaf beeldschermbril
Functiebeschrijving, -waardering, persoonlijke inschaling, functioneringsgesprekken en beoordelingsgesprekken
Inhoudsopgave
Algemeen
1 Wat is functiebeschrijving/-waardering?
2 Functiebeschrijving
3 Functiewaardering
4 Persoonlijke inpassing
5 Beoordelingsgesprekken
6 Functioneringsgesprekken
7 Beoordelings- en functioneringsgesprekken bij tijdelijke benoemingen in een proefperiode
Algemeen
de persoonlijke rechtspositie van een medewerker wordt sterk bepaald door de beschrijving en waardering van zijn functie, zijn persoonlijke inschaling in de salaristabel en de verslagen van functionerings- en beoordelingsgesprekken die met hem zijn gevoerd. De bovenstaande onderwerpen worden hier van een toelichting voorzien.
1 Wat is functiebeschrijving/-waardering?
Functiewaardering is het op een systematische wijze ordenen van functies in een organisatie met als doel een volgorde van relatieve zwaarte vast te stellen. Het gaat erom dat uiteindelijk bepaald kan worden welke functie de zwaarste is, welke de op één na zwaarste is enz. Op basis van deze volgorde kunnen vervolgens beslissingen worden genomen op salarisgebied.
Om op een onderbouwde manier een rangorde in functies vast te stellen moeten functies eerst worden beschreven. Voor het beschrijven van functies zijn twee manieren te onderscheiden:
mensgerichte functiebeschrijvingen: hierbij wordt “eenvoudigweg” opgeschreven welke taken een medewerker verricht
organieke functiebeschrijving, waarbij wordt vastgelegd welke taken iemand in een bepaalde functie zou moeten verrichten; hierbij is dus sprake van een streefprofiel, waarbij alleen gekeken wordt naar de functie en niet naar de functionaris.
De gemeente Kapelle heeft voor de tweede variant gekozen en dus zou functiewaardering in de gemeente Kapelle kunnen worden gedefinieerd als: het omschrijven van alle functies binnen de gemeente Kapelle, zoals deze in een optimale situatie ingevuld zouden moeten worden, en deze te rangschikken in volgorde van zwaarte. De vastgestelde rangorde is de basis voor het salarisbeleid.
Uit deze definitie volgt in feite de volgorde van het proces: eerst de functie beschrijven, vervolgens de functie waarderen, dan de verhouding tussen functie en functionaris vaststellen door een beoordelingsgesprek ( voldoet iemand aan het streefprofiel?) en daaruit de consequenties trekken voor het salaris ( de persoonlijke inpassing in de salarissystematiek).
Al deze stappen worden nu verder toegelicht.
2 Functiebeschrijving
Procedureel:
De afdelingshoofden zijn in de gemeente Kapelle verantwoordelijk voor het opstellen van de functiebeschrijvingen. Als hoogste leidinggevende binnen een afdeling stellen zij voor alle medewerkers op wat van hen verwacht moet worden. Om eenheid van stijl en wijze van beschrijven in alle beschrijvingen zoveel mogelijk te waarborgen maakt P&O een ruwe versie voor alle functies en het afdelingshoofdhoofd werkt deze verder uit.
De uitgewerkte versie wordt voorgelegd aan de medewerker die hierop zijn visie mag geven. Het afdelingshoofd neemt eventuele opmerkingen van de medewerker wel of niet mee in de beschrijving en vraagt de medewerker deze voor gezien te tekenen. Dit tekenen voor gezien geeft alleen maar aan dat de medewerker de mogelijkheid heeft gehad om zijn opmerkingen te plaatsen, het betekent uitdrukkelijk niet dat de medewerker akkoord hoeft te zijn met de beschrijving.
Vervolgens worden alle beschrijvingen in het MT besproken om eenheid van stijl van beschrijven verder te waarborgen. Komen hier aanpassingen uit voort dan worden die nogmaals aan de medewerker voorgelegd en kan de medewerker nogmaals zijn zienswijze geven.
Tot slot worden alle beschrijvingen door de secretaris vastgesteld. Hiervan ontvangt de medewerker schriftelijk bericht: de functiebeschrijving is een besluit geworden. Tegen dit besluit staan bezwaar en beroep open. Een speciale bezwarencommissie is hiertoe in het leven geroepen.
Let wel: het bezwaar/ beroep richt zich op dat moment alleen tegen de beschrijving, niet tegen de waardering van de functie!!
Inhoudelijk:
Een functiebeschrijving bestaat uit een aantal rubrieken, n.l.:
Een kop: Een kop met daarin de functiebenaming, het functienummer ( uitsluitend voor P&O relevant) en de afdeling waartoe de functie behoort. Let wel: de functiebenaming is op geen enkele manier van invloed op de waardering! Hoe men een functie ook noemt, de inhoud bepaalt de waardering.
De plaats in de organisatie: De plaats in de organisatie geeft waar de functie in de organisatie is gepositioneerd, bepaalt de aansturing van en door de functie en de controlemomenten, kortom beschrijft de omgevingsfactoren van de functie.
De taken van de afdeling: Deze omschrijving is uiteraard voor alle medewerkers van een afdeling hetzelfde.
De hoofdbestanddelen van de functie: hierin worden de hoofdtaken van een functie in enkele steekwoorden beschreven. Deze worden vervolgens nader uitgewerkt in:
De functie inhoud: Hierin moeten de niveau- bepalende werkzaamheden van de functie worden vastgelegd. Dat zijn die elementen die een functie de zwaarte geven die kenmerkend is. De hoeveelheid aangeduide taken is niet van invloed op de waardering, het gaat om de aard van de aangegeven taken. Alles beschrijven wat iemand doet kan hooguit verwarring in de hand werken: door alle kaf is het koren dan moeilijk te vinden. Bovendien past dat niet in de gemaakte keuze voor organiek beschrijven. Wees dus altijd beknopt en helder in wat de zwaarste elementen uit de functie zijn. Maak je dus bij functiebeschrijving niet druk om kwantiteit maar om kwaliteit van de taken die je geacht wordt uit te voeren. Overigens: als een taak minder dan ongeveer 10% van je tijd in beslag neemt wordt deze doorgaans niet in een organieke functiebeschrijving opgenomen.
De functie eisen: De functie eisen geven de weg aan die bewandeld moet worden om een functie in te kunnen vullen. Daarbij wordt uitgegaan van de kortste weg, bv. zal het heel goed mogelijk zijn om een afgestudeerd ingenieur als administratief medewerker in te zetten maar voor het vervullen van de functie is een HTS opleiding niet vereist. De minimum eis wordt beschreven, dus in dit voorbeeld bv. MAVO. Overigens is de functie eis indicatief. D.w.z. dat de toetsingscommissie (zie verder) een andere mening kan zijn toegedaan over de eisen en op basis van haar eigen inzichten waardeert. Het beschrijven van de kortste (opleidings)weg naar een functie vergt veel kennis van de opleidingsmarkt en deze kan niet bij ieder afdelingshoofdhoofd, de beschrijver van de functie, als bekend worden verondersteld. Bovendien zal een toetsingscommissie (de waardering van een) functie in zijn geheel bezien en wellicht van oordeel zijn dat gezien het takenpakket te hoge of te lage opleidingseisen zijn gesteld.
3 Functiewaardering
De vastgestelde functiebeschrijvingen worden vervolgens voorgelegd aan een waarderingsdeskundige die aan de hand van de systematiek en alle daarbij behorende informatie een proefwaardering maakt. Deze proefwaardering wordt vervolgens voorgelegd aan een toetsingscommissie. Deze commissie bestaat uit een vertegenwoordiger van de vakbonden, een vertegenwoordiger van de gemeente en een waarderingsdeskundige. Deze drie “ wijzen” buigen zich over de proefwaardering en corrigeren die waar nodig.
Het advies van de toetsingscommissie gaat, eventueel voorzien van afwijkende standpunten binnen die commissie, naar het college van B&W en wordt daar al dan niet vastgesteld. De door B&W vastgestelde functiewaardering is een besluit waartegen bezwaar en beroep openstaan. Let wel: het gaat op dat moment om bezwaar/ beroep tegen de functiewaardering, niet tegen de functieomschrijving!!
Er is dus sprake van twee bezwaar/beroepsmomenten: één tegen de beschrijving en één tegen de waardering. M.a.w. het bezwaar kan dus niet bestaan uit: taak x staat niet in mijn omschrijving en dus kom ik maar op waardering y uit. Of je maakt in een vroeg stadium bezwaar tegen je beschrijving ( taak x hoort wel of niet in de beschrijving) of later tegen de waardering ( o.b.v. de vastgestelde beschrijving hoort de waardering niet in y maar in z).
De waarderingssystematiek:
Ons waarderingssysteem, Organieke Functiewaarderingssysteem 2004 ( OFS 2004) kent voor het onderverdelen van functies 6 hoofdgroepen en binnen de hoofdgroepen een verdere verfijning d.m.v. 5 zgn. secundaire factoren.
De hoofdgroepen zijn de volgende:
Hoofdgroep I:
ongeschoold werk
Hoofdgroep II:
werk waarvoor minimaal een LBO niveau noodzakelijk is
Hoofdgroep III:
werk waarvoor minimaal een MBO niveau noodzakelijk is
Hoofdgroep IV:
werk waarvoor minimaal een HBO niveau noodzakelijk is
Hoofdgroep V:
werk waarvoor minimaal een universitair niveau noodzakelijk is
Hoofdgroep VI:
werk waarvoor minimaal een universitair niveau en een promotietraject noodzakelijk is
Hoofdgroepen I, V en VI worden binnen Kapelle overigens niet gebruikt.
Op alle 5 de secundaire factoren kunnen 1,2,3 of 4 punten worden gescoord, behalve op “leidinggeven” waarop ook 0 kan worden gescoord. De secundaire factoren zijn:
Functionele vorming:
Functionele vorming is het aantal jaren opleiding en/of werkervaring dat bovenop het voor de hoofdgroep vereiste werk- en denkniveau noodzakelijk is om de functie adequaat in te vullen. Let wel: er wordt in de hoofdgroepen uitgegaan van een werk- en denkniveau, niet van een opleidingsniveau. Het systeem stelt namelijk eisen aan hoe een bepaald werk- en denkniveau bereikt moet worden. Voor het bereiken van bv. hoofdgroep III is een MBO niveau noodzakelijk, d.w.z. een MBO diploma en twee jaar werkervaring. Functionele vorming zijn die jaren die daar weer bovenop komen.
Handelingsvrijheid:
Handelingsvrijheid houdt de mate van vrijheid in die een functie kent. Heeft een functionaris veel of weinig bevoegdheden? Mag hij zij zaken allemaal zelf afhandelen of moet hij al snel naar een leidinggevende?
Keuzemogelijkheden:
De secundaire factor keuzemogelijkheden geeft aan welke mate van inhoudelijke vrijheid in het werkveld een functie kent. Is alles vastgelegd in regels en procedures of wordt er eigen inbreng en ideeën verwacht?
Leidinggeven:
Moet in een bepaalde functie leiding worden gegeven? Zo ja, welke leidinggevende taken zijn er en aan hoeveel mensen wordt leiding gegeven?
Contact:
Welke contacten en contactmomenten zitten er in de functie. Hoe zwaar zijn deze contacten: moet er alleen iets worden toegelicht of moet er onderhandeld worden? Hoeveel speelruimte heeft de functionaris in zijn contacten?
Overigens:
interne contacten zoals het deelnemen aan een werkoverleg worden niet gewaardeerd met punten; iedere medewerker wordt namelijk geacht dit te doen. Dit aspect komt daarom ook niet terug in een organieke functiebeschrijving.
Wat ook niet terugkomt in een functiebeschrijving en in de puntenwaardering is het waarnemen van een andere hogere functie bij ziekte of verlof. Wordt een geval van waarneming van een hogere functie door bv. een langdurige ziekte een zaak van de lange termijn , dan wordt hiervoor een bepaalde vergoeding uitbetaald; dit regelt de CAR/UWO, onze arbeidsvoorwaardenregeling. Dit staat echter los van organieke functiewaardering.
Vervolgens worden de scores op de subkenmerken opgeteld en verbonden aan de hoofdgroepindeling. Er ontstaat dan bv. een score als III-10, wat betekent dat de functie is ingedeeld in hoofdgroep III en 10 punten scoort als totaal van de secundaire factoren.
Om nu het niveau van de functie te kunnen bepalen wordt de score opgezocht in de zgn. conversietabel. Dit is een tabel die de relatie legt tussen functiewaarderingsuitslag en de niveau indeling van de functies. Deze tabel, die door het GO wordt vastgesteld, is bij het systeem gevoegd.
De vaststelling van een functieniveau gebeurt altijd met ingang van een bepaalde datum. Het nieuwe functie niveau gaat dus per die datum gelden. Let wel: dit betekent niet dat iedereen met ingang van die datum in de nieuwe functieschaal wordt benoemd; denk aan het verschil tussen functie en functionaris ( zie “ persoonlijke inpassing”).
Als het functiewaarderingsrapport is vastgesteld, uit de conversietabel het functieniveau is bepaald en het college e.e.a. heeft vastgesteld en alle betrokkenen op de hoogte zijn gesteld en de bezwarentermijn is verstreken, is het proces van functiewaardering afgerond. Dan rest nog de persoonlijk inpassing.
4 Persoonlijke inpassing
Als het functieniveau is bepaald, wordt bekeken of de functionaris (denk aan het onderscheid met “functie”) al in de functieschaal is benoemd. Als de functie hoger is gewaardeerd dan voorheen zal dat niet het geval zijn.
Het moment waarop bekeken wordt of bevordering naar een hogere functieschaal mogelijk is, is het beoordelingsgesprek. In dit beoordelingsgesprek wordt bezien of een medewerker alle taken van een functie volledig uitvoert;
al die taken op een voldoende wijze uitvoert ( beoordelingsresultaat moet binnen de huidige beoordelingssystematiek gemiddeld een 6 of hoger zijn en mag geen onvoldoendes bevatten); aan de functie eisen voldoet.
Voldoe je aan alle drie de voorwaarden dan kun je benoemd worden in je functieschaal. De leidinggevende, die het beoordelingsgesprek met je voert, zal tevens aangeven per wanneer bevordering naar de functieschaal wenselijk is. Hier kan terugwerkende kracht aan worden gegeven tot maximaal de datum waarop je functie is vastgesteld, maar dat hoeft niet. De leidinggevende moet motiveren waarom hij daarin een bepaalde keuze maakt.
De resultaten van de beoordelingsgesprekken en het inpassingsvoorstel worden vastgesteld door het college en ook hiertegen staat bezwaar en beroep open.
Een kopie van het gehele functiewaarderingssysteem en bijbehorende procedure regeling is via P&O verkrijgbaar.
5 Beoordelingsgesprekken
Een beoordelingsgesprek is een gesprek tussen directe chef en medewerker. Hierin geeft de directe chef een oordeel over het functioneren van de medewerker. De beoordeling betreft de wijze waarop de medewerker zijn betrekking vervult in een bepaald tijdvak, met inbegrip van zijn gedragingen in dat tijdvak tijdens de uitoefening van die betrekking. In een beoordelingsgesprek wordt dus alleen terug gekeken; er worden geen verbeteringsafspraken gemaakt.
De beoordeling wordt vastgelegd op een formulier waarin een aantal scores worden toegekend op de criteria kwaliteit, kwantiteit, houding en taakopvatting. Op al deze criteria moet minimaal een 6 worden gescoord om voor bevordering naar de functieschaal in aanmerking te komen.
Aan de hand van deze beoordeling kan een schriftelijk beloningsvoorstel worden ingediend. Het beloningsvoorstel kan een gratificatie, het al dan niet toekennen van één of meer periodieke verhogingen, bevordering naar de functionele schaal of toekenning van een persoonlijke toelage inhouden.
6 Functioneringsgesprekken
De gemeente kent een regeling functioneringsgesprekken. Een functioneringsgesprek is een regelmatig terugkerend gesprek tussen een leidinggevende en een medewerker over het werk, de werksfeer, werkuitvoering en de werkomstandigheden met het doel de kwaliteit van het werk in de ruimste zin van het woord te verbeteren. Een functioneringsgesprek kijkt zowel achteruit (hoe verlopen zaken tot op heden) als vooruit (hoe kan het beter) en heeft tot doel om tot verbeteringen in het functioneren te komen.
Bij het voeren van functioneringsgesprekken dienen de volgende uitgangspunten in acht te worden genomen:
het gesprek vindt plaats op basis van gelijkwaardigheid, dit houdt in dat van beide partijen een inbreng wordt verwacht en dat partijen elkaar met respect bejegenen.
Iedere medewerker heeft minimaal 1 functioneringsgesprek per jaar, te houden voor 1 juli.
De leidinggevende neemt het initiatief voor het gesprek en organiseert het gesprek (tijd, plaats, procedure etc).
De gesprekspartners geven tijdig aan elkaar te kennen indien men specifieke onderwerpen aan de orde wenst te stellen. In overleg tussen de leidinggevende en medewerker wordt afgesproken hoe daaraan invulling wordt gegeven.
Desgewenst en met instemming van de andere gesprekspartner kan door een derde (bv. de P&O adviseur) aan het functioneringsgesprek worden deelgenomen.
De gemaakte afspraken worden op een daartoe vastgesteld formulier vastgelegd en ondertekend door de leidinggevende en de medewerker. Dit kan zowel actiepunten voor de medewerker als voor de leidinggevende betreffen.
De medewerker krijgt een afschrift van het gespreksverslag en de gemaakte afspraken.
Het formulier wordt voor “gezien” ondertekend door de gemeentesecretaris.
7 Beoordelings- en functioneringsgesprekken bij tijdelijke benoemingen in een proefperiode
Indien je bij de gemeente werkt op basis van een benoeming voor de duur van bv. één jaar, dan zal gedurende het eerste jaar de leidinggevende minimaal 1 x per 3 maanden een functioneringsgesprek met je voeren. Minimaal 3 maanden voor het aflopen van het contract zal je middels een beoordelingsgesprek worden aangegeven of er tot verlenging van de benoeming (onbepaalde tijd) wordt overgegaan of dat eventueel tot een verlenging van de proefperiode wordt gekomen.
In alle gevallen wordt e.e.a. duidelijk door de leidinggevende gemotiveerd.
Verordening functioneringsgesprekken, personeelsbeoordeling, flexibele beloning
Inhoudsopgave
Artikel 1
Artikel 2 Functioneringgesprek
Artikel 3 Functioneringgesprek
Artikel 4 Functioneringgesprek
Artikel 5 Functioneringgesprek
Artikel 6 Beoordeling
Artikel 7 Beoordeling
Artikel 8 Beoordeling
Artikel 9 Bezwarenprocedures
Artikel 10 Beloning
Artikel 11 Beloning
Artikel 12 Beloning
Artikel 13 Beloning
Artikel 14 Bijzondere bepalingen
Artikel 15 Bijzondere bepalingen
Artikel 16
Bijlage
Artikel 1
Ambtenaar: de ambtenaar zoals bedoeld in artikel 1:1 lid 1 onder a van de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling voor de sector gemeenten respectievelijk van de Uitwerkingsovereenkomst;
Functie: Het samenstel van werkzaamheden door de ambtenaar te verrichten;
Functieschaal: De voor die functie geldende salarisschaal;
Functioneringsgesprek: Jaarlijks terugkerend gesprek tussen de ambtenaar en de directe chef over het wederzijds functioneren;
De beoordelaar(s): Het hoofd van de afdeling en/of de naasthogere leidinggevende;
De personeelsfunctionaris: De ambtenaar welke belast is met uitvoering van de werkzaamheden op het gebied van personeelszaken;
Hoofd van dienst: De gemeentesecretaris
Artikel 2 Functioneringsgesprek
Lid a
Tenminste éénmaal per jaar en vóór 1 juli, vindt tussen iedere ambtenaar en afdelingshoofd en tussen ieder afdelingshoofd en de gemeentesecretaris een functioneringsgesprek plaats.
Lid b
In overeenstemming met de gemeentesecretaris en het afdelingshoofd kan een andere leidinggevende met de functioneringsgesprekken worden belast, tenzij betrokkenen daartegen bezwaar maken.
Lid c
Wanneer een ambtenaar wordt aangesteld in tijdelijke dienst voor een periode van 6 maanden, dan vindt het eerste functioneringsgesprek plaats 3 maanden na indiensttreding en het tweede gesprek vindt plaats 5 maanden na de datum van indiensttreding. Na dit tweede gesprek wordt een besluit genomen over de herziening van dit dienstverband.
Artikel 3 Functioneringgesprek
Lid a
Op initiatief van de (hoogste) leidinggevende wordt tijdig en in overleg een datum en tijdstip voor het functioneringsgesprek vastgesteld.
Lid b
De gesprekspartners geven tijdig aan elkaar te kennen indien men specifieke onderwerpen in het kader van het functioneringsgesprek aan de orde wenst te stellen.
Lid c
Desgewenst en met instemming van de andere gesprekspartner, kan door een derde aan het functioneringsgesprek worden deelgenomen.
Artikel 4 Functioneringgesprek
Lid a
Van de in het kader van het functioneringsgesprek gemaakte afspraken wordt op een daartoe door het college van burgemeester en wethouders vastgesteld formulier aantekenin-gen gemaakt door de (hoogste) leidinggevende.
Lid b
De gesprekspartner ontvangt van de vastgelegde afspraken, als sub a genoemd, een afschrift.
Lid c
Het formulier wordt voor gezien ondertekend door de gemeentesecretaris.
Artikel 5 Functioneringgesprek
De hoogste leidinggevende draagt zorg voor melding van het functioneringsgesprek bij de ambtenaar belast met personeelszaken, via een daartoe door het college van burgemeester en wethouders vastgesteld formulier.
Artikel 6 Beoordeling
Indien beoordelaar en/of ambtenaar dit wenselijk achten, doch tenminste éénmaal per 3 jaar wordt in november over de ambtenaar een beoordeling uitgebracht. Indien bijzondere omstandighe-den dit wenselijk maken kan met toestemming van de gemeentesecretaris van deze termijn worden afgeweken.
Artikel 7 Beoordeling
De beoordeling van een ambtenaar betreft de wijze waarop deze zijn betrekking gedurende het beoordelingstijdvak heeft vervuld, met inbegrip van zijn gedragingen in dat tijdvak tijdens de uitoefening van die betrekking.
Artikel 8 Beoordeling
Lid a
De beoordeling geschiedt door de personen genoemd in artikel 2 lid a en b. De beoordeling van het hoofd van een afdeling geschiedt uitsluitend door de gemeentesecretaris als hoofd van dienst.
Lid b
De beoordeling wordt vastgelegd op een formulier dat door het college van burgemeester en wethouders is vastgesteld.
Lid c
De concept-beoordelingen worden vanwege de uniforme toepassing van de regeling ter toetsing voorgelegd aan het managementteam.
Lid d
De concept-beoordelingen worden ter voorlopige vaststelling aan het college van burgemeester en wethouders voorgelegd.
Lid e
Na ondertekening van het formulier personeelsbeoordeling, door alle partijen, stelt het college van burgemeester en wethouders de beoordeling definitief vast.
Lid f
De in de vastgestelde beoordelingen vermelde kwaliteiten, zwak, onvoldoende, normaal, boven normaal en uitstekend worden vertaald in respectievelijk score 2, 4, 6, 8 en 10. De in de optelling verkregen totaalscore van een beoordeling wordt gedeeld door het aantal criteria, te weten:
kwaliteit;
kwantieit;
houding;
taakopvatting;
Artikel 9 Bezwarenprocedures
Lid a
Er is een bezwarencommissie bestaande uit:
Een lid tevens voorzitter, zijnde het lid van het college van burgemeester en wethouders, belast met personeelszaken;
Een lid aangewezen door burgemeester en wethouders;
Een lid aangewezen door de centrales van overheidspersoneel.
Voor elk lid van de commissie wordt door de benoemde instantie een plaatsvervangend lid aangewezen.
Het secretariaat van de commissie wordt vervuld door de ambtenaar personeelszaken.
Lid b
Burgemeester en wethouders leggen het bezwaarschrift ter behandeling voor aan de bezwarencommissie.
Lid c
De bezwarencommissie dient een zaak zo spoedig mogelijk in voltallige vergadering te behandelen.
Lid d
Tenminste één maand vóór de behandeling van een bezwaarschrift worden alle daarop betrekking hebbende stukken door de secretaris van de commissie aan de leden toegezonden. De stukken worden tevens toegezonden aan de ambtenaar en diens raadsman, zo de ambtenaar deze heeft aangewezen.
Lid e
De vergaderingen van de commissie zijn niet openbaar. De leden zijn verplicht tot geheimhouding van hetgeen hun uit de stukken of de beraadslagingen bekend is geworden.
Lid f
De leden van de commissie en de secretaris of hun plaatsvervangers mogen niet deelnemen aan de behandeling van een bezwaarschrift als zij betrokken zijn geweest bij de beoordeling waartegen het bezwaar zich richt.
Lid g
De bezwarencommissie hoort:
de indiener van het bezwaarschrift, al dan niet vergezeld van een raadsman;
het hoofd van de afdeling;
de naasthogere leidinggevende;
het hoofd van dienst.
Lid h
De bezwarencommissie brengt binnen 30 dagen na de vergadering een met redenen omkleed advies uit aan burgemeester en wethouders. Indien het advies niet unaniem is worden ook de minderheidsadviezen bijgevoegd.
Artikel 10 Beloning
Door de beoordelaar kan bij het ter vaststelling aanbieden van een beoordeling, een schriftelijk gemotiveerd beloningsvoorstel worden ingediend.
Artikel 11 Beloning
Het beloningsvoorstel als in artikel 10 genoemd kan inhouden:
een gratificatie ter grootte van 1/8, 1/4, 1/2 of 1/1 maandsalaris;
het niet toekennen van een salarisverhoging;
het toekennen van één salarisverhoging;
het toekennen van twee salarisverhogingen;
bevordering van de ambtenaar naar de functionele schaal;
bevordering van de ambtenaar naar een bovenfunctionele schaal;
het toekennen van een persoonlijke toelage.
Artikel 12 Beloning
Het beloningsvoorstel als in artikel 10 genoemd, kan uitsluitend worden ingediend indien wordt voldaan aan de voorwaarden als in de bijlage bij deze verordening opgenomen.
Artikel 13 Beloning
Het college van burgemeester en wethouders neemt geen besluit over het totaal van de belonings-voorstellen dan nadat het managementteam haar ter zake van advies heeft gediend. Het managementteam baseert haar advies uitsluitend op een marginale en kwantitatieve toetsing van de voorstellen.
Artikel 14 Bijzondere bepalingen
De personeelsfunctionaris draagt in het algemeen zorg voor een juiste hantering van de procedurele aspecten en staat alle belanghebbenden zonodig ter zijde.
Artikel 15 Bijzondere bepalingen
Burgemeester en wethouders kunnen in individuele gevallen, waarin deze regeling niet of niet naar redelijkheid voorziet, een nadere voorziening treffen.
Artikel 16
Deze verordening treedt in de plaats van de "Verordening Functioneringsgesprekken, personeelsbe-oordeling, flexibele beloning 1-1-1994" en wordt geacht in werking te zijn getreden op 1 januari 1997.
Bijlage
Voorwaarden beloningsvoorstellen
Gratificatie
de functie wordt met buitengewone toewijding en/of op bij zonder loffelijke wijze vervuld, danwel beoordeelde heeft (binnen of buiten de functie) een bijzondere prestatie verricht.
de gemiddelde beoordelingsscore is 7 of hoger.
een gratificatie kan niet meer dan twee jaar achtereen worden toegekend.
Niet toekennen salarisverhoging
de functie wordt met onvoldoende bekwaamheid, geschiktheid en ijver vervuld.
de gemiddelde beoordelingsscore is 5 of lager.
Toekennen één salarisverhoging
de functie wordt met voldoende bekwaamheid, geschiktheid en ijver vervuld.
de gemiddelde beoordelingsscore is hoger dan 5.
Toekennen van twee salarisverhogingen
de functie wordt met buitengewone bekwaamheid, geschiktheid en ijver vervuld.
beoordelaar heeft goede verwachtingen over het functioneren van beoor-deelde in de toekomst.
beoordeelde is nog minstens twee salarisverhogingen verwijderd van het maximum bedrag van zijn salarisschaal.
de gemiddelde beoordelingsscore is 7 of hoger.
Bevordering naar functionele schaal
betrokkene voldoet geheel aan de - voor de door hem beklede functie - gestelde functie-eisen.
de functie wordt met voldoende bekwaamheid, geschiktheid en ijver vervuld.
de gemiddelde beoordelingsscore is 6 of hoger.
Persoonlijke toelage
door beoordeelde is op grond van meerjarige grote inzet en kwaliteit een duidelijke meerwaarde aan de door hem beklede functie toegevoegd.
beoordeelde geniet reeds gedurende tenminste één jaar het maximum bedrag van zijn salarisschaal.
de gemiddelde beoordelingsscore is 8 of hoger.
Bevordering naar bovenfunctionele schaal
door de beoordeelde is op grond van meerjarige grote inzet en kwaliteit een duidelijke meerwaarde aan de door hem beklede functie toegevoegd.
beoordeelde geniet reeds gedurende tenminste twee jaar of meer het maximum bedrag van zijn functionele salarisschaal.
de gemiddelde beoordelingsscore is 8 of hoger.
Regeling openbaarmaking nevenfuncties van topambtenaren
Inhoudsopgave
Artikel 1
Artikel 2
Artikel 3
Artikel 4
Artikel 5
Artikel 6
Artikel 1
Deze regeling is van toepassing op de functie:
a.Gemeentesecretaris / algemeen directeur
Artikel 2
Deze regeling heeft ten doel te regelen op welke wijze nevenwerkzaamheden openbaar worden gemaakt die de belangen van de dienst, voor zover deze in verband staan met de functievervulling, kunnen raken en die verricht worden door de ambtenaar die een functie als bedoeld in artikel 1 van deze regeling vervult.
Artikel 3
Openbaarmaking van de nevenwerkzaamheden geschiedt door een actuele opgave van nevenwerkzaamheden in het gemeentehuis ter inzage te leggen.
Artikel 4
De opgave vermeldt:
de hoofdfunctie (gemeentesecretaris / algemeen directeur)
de nevenwerkzaamheden en de instanties waarbij deze verricht worden (bijvoorbeeld: 1e: voorzitter bestuur Stichting X; 2e: adviseur bij de Raad voor Y)
de datum van ingang van de nevenwerkzaamheden
de eventueel aan het uitoefenen van de nevenwerkzaamheden gestelde beperkingen (bijvoorbeeld: de functionaris dient zich in zijn nevenfunctie als adviseur bij de Raad voor Y te onthouden van adviezen met betrekking tot de projecten in de gemeente)
Artikel 5
De gemeentesecretaris / algemeen directeur is verantwoordelijk voor de opgave van nevenwerkzaamheden van de ambtenaren die een functie als bedoeld in artikel 1 van deze regeling vervullen.
Artikel 6
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2007.
Medewerkers ontwikkelingsbeleid
Inhoudsopgave
Doel
Subdoelen
Aanpak
Budget
Vastlegging
Vergoedings- en terugbetalingsregeling
Terugvorderen kosten
Doel
Continuïteit en ontwikkeling van de gemeentelijke organisatie.
Subdoelen
Voldoende gekwalificeerd personeel in dienst hebben;
Ontwikkelen van de in de organisatie aanwezige kennis;
Stimuleren ontwikkeling van onze medewerkers;
Binden van goede medewerkers;
Aantrekkelijke werkgever zijn op de arbeidsmarkt;
Aanpak
Jaarlijks dienen de afdelingshoofden de discrepantie tussen aanwezige en benodigde kennis te inventariseren deze inventarisatie vindt plaats op drie niveaus:
1. Operationeel niveau (functie opleiding)
Op dit niveau wordt geïnventariseerd welke medewerkers een functie uitvoeren waar ze nog niet de juiste opleiding voor gevolgd hebben. Er is dan sprake van een opleidingswens op kennis- of vaardighedenniveau. Een medewerker kan ook zelf aangeven dat hij een opleiding nodig heeft om zijn taken uit te kunnen voeren.
2. Tactisch niveau (functie opleiding)
Op dit niveau wordt geïnventariseerd wat de plannen zijn voor korte en middellange termijn? (WMO, Digitalisering, nieuwbouwprojecten maar ook organisatorisch kan er iets op stapel staan ook toekomstige uitstroom van medewerkers door pensioen en dergelijke kan een opleidingsvraag creëren) Opleidingswens op dit niveau is ook vaak op kennis en vaardigheden maar ook een gedrags- of competentie training kan hier gevraagd worden (bijvoorbeeld klantvriendelijkheid)
3. Strategisch niveau (loopbaanactiviteiten)
Het strategisch niveau vraagt om het verder vooruit kijken. Vragen als: 'wat zijn onze sleutelfuncties?' (Hoofden, beleidsmedewerkers en specialisten op MBO- of HBO-niveau, ... ) en 'wat gebeurt er als één van deze mensen weggaat?' zijn de input voor de opleidings- en ontwikkelingsvraag voor het strategisch niveau. Naast werving & selectie, is opleiding of ontwikkeling een personeelsinstrument dat bijdraagt aan de oplossing van het opvolgingsvraagstuk. Bijkomend voordeel is dat we ons hiermee kunnen onderscheiden van de concurrentie (op de arbeidsmarkt). We kunnen (een aantal) medewerkers motiveren met een goed uitgevoerd beleid op dit niveau. Het zou een bindende (en boeiende) factor kunnen zijn. Het hele scala aan ontwikkelactiviteiten kan hier aan de orde komen: opleiden, cursus, opdracht, klus, projecten, intervisie, stages, ....
Budget
Er is een budget voor opleiding beschikbaar ter hoogte van 2% van de loonsom. Het werkelijk beschikbare budget kan per jaar verschillen omdat een overschot meegenomen mag worden naar het volgende jaar en indien noodzakelijk kan aanspraak gemaakt worden op een deel van het budget van het volgende jaar.
Vastlegging
Opleidings- en ontwikkelingsafspraken worden vastgelegd in het afdelingsplan van de afdelingen. Deze plannen samengevoegd is het opleidingsplan van de Gemeente Kapelle. Opleidings- en ontwikkelingsafspraken met medewerkers worden vastgelegd in een Persoonlijk Ontwikkeling Plan / aanvraag ontwikkel activiteit. De medewerker vult dit plan in overleg met het af delingshoofd in.
Vergoedings- en terugbetalingsregeling
Voor opleidingen uit het opleidingsplan van de Gemeente Kapelle geldt dat:
Opleidingen (inclusief voorgeschreven lesmateriaal) opgenomen in het POP worden voor 100% vergoed
Indien opleiding in werktijd plaats vindt, wordt de tijd vergoed. Hierbij geldt dat een opleidingsdag niet langer is dan een werkdag. Uitzondering is een opleiding op strategisch niveau (de loopbaanactiviteiten);
Reiskosten worden vergoed o.b.v. openbaar vervoer eerste klas of á €0,09 per kilometer (afwijkingen altijd in overleg met het afdelingshoofd)
Verblijfskosten, waaronder wordt verstaan koffie en thee, worden vergoed op declaratiebasis. (bon wordt door leidinggevende geparafeerd)
N.b.: Loopbaanactiviteiten worden alleen door de gemeente gefaciliteerd als het iets betreft wat goed is voor de afdeling of de gemeente. Tevens is het van belang dat men 'zijn sporen heeft verdiend' en men al wat langer bezig is. Verder dient het altijd met het werk te maken te hebben, gaat functioneel voor en is de tijd voor de medewerker zelf.
Terugvorderen kosten
Korte cursussen van minder dan vijf dagen hoeven niet terug betaald te worden. Bij ontslag binnen twee jaar na het behalen van het diploma of bij het stoppen / niet behalen opleiding door oorzaken binnen de beïnvloedingssfeer van de medewerker zelf, moet 100% van de kosten (verminderd met 1/24e per maand) terugbetaald worden.
Salaris & vergoedingen
Inhoudsopgave
1 Salaris
2 Netto uitkeringen / kerstpakket
3 Ambtsjubileum
4 Reis- en Verblijfkosten dienstreizen
5 Inconveniënten
6 Spaarloonregeling
1 Salaris
De betaling van het nettosalaris vindt plaats via een post- of bankrekening. Omstreeks de 19e van elke maand wordt uw salaris op deze rekening(en) bijgeschreven. Een salarisspecificatie wordt u maandelijks toegezonden/uitgereikt.
2 Netto uitkeringen / kerstpakket
Iedere medewerker ontvangt ter gelegenheid van Pasen, Sinterklaas/Kerst en Verjaardag een netto gratificatie tot een bedrag van € 168,-- op jaarbasis. Een parttimer ontvangt een proportioneel gedeelte. Rond de kerst ontvangt iedere medewerker tevens een kerstattentie. Het gratificatiebudget wordt gebruikt voor activiteiten met de afdelingen. Eén afdelingsactiviteit per jaar. Het budget is €60,- per persoon per uitje (voor wie daadwerkelijk meegaat) en de activiteit vindt plaats in eigen tijd. In overleg met het afdelingshoofd kan soms werktijd gebruikt worden, denk bijvoorbeeld aan een bezoek aan een andere gemeente (bijv. bezoek in tijd werkgever, aansluitend etentje in eigen tijd).
3 Ambtsjubileum
Indien de medewerker in aanmerking komt voor een jubileumtoelage zoals bedoeld in artikel 3:19 CAR-UWO, krijgt de jubilaris indien hij dat wenst een receptie aangeboden of mag hij met maximaal 8 personen een etentje o.i.d. organiseren waarbij p.p. maximaal 50 euro gebruikt mag worden.
4 Reis- en Verblijfkosten dienstreizen
Let wel: het gaat hier om een onkostenvergoeding: alleen werkelijk gemaakte kosten komen voor vergoeding in aanmerking! Declaraties i.v.m. reis- en verblijfkosten moeten op het hiervoor bestemde declaratieformulier worden ingediend bij P&O, voor de vijfde van de maand volgend op de maand waarin de kosten zijn gemaakt, voorzien van naar bestemming gespecificeerde kilometers en alle andere benodigde bescheiden. Het declaratieformulier moet worden ondertekend door het afdelingshoofd of de gemeentesecretaris. Je vindt dit formulier op intranet onder: formulieren. Alleen originele declaraties worden geaccepteerd: P&O neemt geen kopieën aan. Declaraties worden verwerkt via de salarisadministratie: uitbetaling in cash is niet mogelijk. N.B: Voor reiskosten in het kader van woon-werkverkeer wordt geen vergoeding betaald.
*OV chipkaart
NS Business Cards:
Ter vervanging van de eerdere ‘papieren’ trajectkaarten wordt er vanaf 1 juli 2014 gebruik gemaakt van NS business cards . Dit houdt in dat reizen met het openbaar vervoer (trein, bus, metro en tram) kan plaatsvinden met de business cards die in het bezit zijn van de gemeente. De gemeente bezit over vijf eerste klas NS business cards. De kaarten kunnen alleen worden gebruikt voor dienstreizen en reizen voor studie of opleiding. De gemeente ontvangt maandelijks achteraf een rekening voor de kosten van het afgelegde traject. Belangrijk is dat voor zowel trein, bus, tram als metro moet worden ingecheckt en uitgecheckt met de NS business card. Wanneer er wordt vergeten om in of uit te checken kan de ritprijs niet worden bepaald en wordt er een correctietarief in rekening gebracht. De meerkosten worden dan aan de medewerker doorberekend. Zie de instructie op de website van de NS over in- en uitchecken: www.ns.nl/reizigers/ovchipkaart/reizen. De NS business cards zijn in beheer van de afdeling Financiën. Als je de kaart wilt gebruiken, wordt gevraagd wat het reisdoel is en de bestemming. Breng de NS business card na gebruik z.s.m. terug. Indien je de kaart bent verloren, geef dit dan direct door aan de afdeling Financiën, zodat de kaart kan worden geblokkeerd.
LET OP: Afspraak is dat er gebruik wordt gemaakt van één van de vijf business cards die in het bezit zijn van de gemeente. Pas wanneer deze cards niet beschikbaar zijn, kan er gebruikt gemaakt worden van de eigen OV chipkaart.
Eigen OV chipkaarten:
Anonieme OV chipkaart
Als u een anonieme OV-chipkaart heeft, kunt u de laatste tien transacties opvragen bij een balie of verkoopautomaat van de Nederlandse Spoorwegen of een andere vervoerder waarmee u heeft gereisd. Er kan dan een bon worden afgedrukt waarop de (laatste 10) transacties staan. Deze bon kunt u vervolgens bij uw reisdeclaratie indienen.
Persoonlijke OV chipkaart
Heeft u een persoonlijke OV-chipkaart, dan kunt u uw reisoverzicht downloaden via www.ov-chipkaart.nl. Als u daar een account opent, kunt u bij ‘Mijn OV-chipkaart' uw reis- en transactieoverzicht bekijken en afdrukken. Die print kunt u vervolgens bij uw reisdeclaratie indienen.
5 Inconveniënten
De medewerkers in de buitendienst ontvangen een vergoeding voor het verrichten van vuil, vies en onaangenaam werk. De vergoeding wordt vastgesteld conform de voorwaarden van artikel 3:14 en 3:14:0:1 CAR-UWO.
6 Spaarloonregeling
Vervallen.
Regeling Verlof, ADV en Brugdagen
Inhoudsopgave
Artikel 1 Verlof
Artikel 2 ADV
Artikel 3 Leeftijdsuren
Artikel 4 Bid- en dankdag
Artikel 5 Verlof afschrijven
Artikel 6 ADV opbouw tijdens ziekte
Artikel 7 Feestdagen en Brugdagen
Artikel 1 Verlof
Iedere medewerker heeft recht op 144 uur verlof per jaar. Voor parttimers wordt dit aantal naar rato van het deeltijdpercentage vastgesteld.
Artikel 2 ADV
Een fulltimer die feitelijk 7,75 uur per dag werkt, bouwt 143 uur ADV per jaar op. Parttimers kunnen via hun leidinggevende een verzoek indienen om ook voor ADV in aanmerking te komen. Het aantal uren wordt vervolgens naar rato van het deeltijdpercentage vastgesteld.
Artikel 3 Leeftijdsuren
Afhankelijk van de leeftijd die in het kalenderjaar wordt bereikt, wordt het aantal verlofuren als volgt verhoogd:
Leeftijd
verhoging
30 t/m 39
7,2 uur
40 t/m 44
14,4 uur
45 t/m 49
21,6 uur
50 t/m 54
28,8 uur
55 t/m 59
36 uur
60 en ouder
43,2 uur
Voor parttimers wordt de verhoging met leeftijdsuren naar rato van het deeltijdpercentage vastgesteld.
Artikel 4 Bid- en dankdag
Het verlof van de medewerker wordt verhoogd met 7,2 uur ter compensatie van bid- en dankdag. Voor parttimers wordt de verhoging met leeftijdsuren naar rato van het deeltijdpercentage vastgesteld.
Artikel 5 Verlof afschrijven
Het verlof wordt afgeschreven volgens het aantal uren welke men normaal gesproken gewerkt zou hebben. Meestal is dit voor een fulltimer 7,75 uur per dag.
Maximaal het aantal uren van de aanstelling mag worden meegenomen als overboeking naar het volgende jaar (bijvoorbeeld: full-timers met ADV 38,75 uur; parttimers 50% zonder ADV 18 uur). Wie meer uren wil meenemen moet hiervoor een verzoek met argumenten indienen bij het college voor 1 november van het lopende jaar. Aan het extra meenemen van verlofuren kunnen voorwaarden gesteld worden.
Artikel 6 ADV opbouw tijdens ziekte
Bij meer dan 4 weken verzuim wegens ziekte stopt opbouw ADV tot het moment van volledig herstel.
Artikel 7 Feestdagen en Brugdagen
Op onderstaande feestdagen wordt voor zover mogelijk niet gewerkt met behoud van salaris:
Nieuwjaarsdag
Goede vrijdag
Tweede paasdag
Hemelvaartsdag
Tweede pinksterdag
Tweede Kerstdag
Koningsdag
Bevrijdingsdag
Per kalenderjaar worden door en op kosten van de werkgever minimaal 2 brugdagen aangewezen. De werkgever hoort de Ondernemingsraad hierover. Zijn er geen brugdagen, dan wordt toch uitgegaan van 2 vastgestelde vrije dagen op kosten van de werkgever.
Indien meer dan 2 brugdagen worden aangewezen, dan worden die meerdere dagen verrekend op 50/50 basis (d.w.z. 50% voor eigen rekening). Daarnaast wordt jaarlijks, in overleg met de OR, bekeken of er dagen als verplichte ADV moeten worden aangewezen. Deze komen volledig voor rekening van de medewerker.
Ziekte en verzuim
Inhoudsopgave
1 Ziekmeldingsprocedure
2 Beleid
3 Doorbetaling salaris bij ziekte
4 Communicatie
1 Ziekmeldingsprocedure
Bij ziekte is de medewerker verplicht dit zelf zo spoedig mogelijk mondeling of telefonisch te melden bij zijn afdelingshoofd (vóór 09.00 uur op de eerste ziektedag). Bij diens afwezigheid meldt de medewerker de ziekte aan diens vervanger, is ook die afwezig dan wordt de melding gedaan aan de gemeentesecretaris of bij diens afwezigheid de adjunct directeur . Degene die de melding aanneemt geeft de melding door aan P&O middels het ziekmeldingsformulier. Voor afdelingshoofden geldt dat zij zich direct ziek melden bij de gemeentesecretaris / algemeen directeur of bij afwezigheid van de gemeentesecretaris / algemeen directeur, de adjunct directeur. P&O stuurt de ziekmelding door naar de Arbo-unie Zeeland in Goes. Door Arbo Unie kunt uw worden opgeroepen voor het spreekuur van de verzuimconsulent of de bedrijfsarts. U bent verplicht hieraan gehoor te geven. Onze bedrijfsarts is de heer H. Stavast. Ook op eigen initiatief kunt u met hem een afspraak maken als u het gevoel heeft dat het werk op enigerlei wijze een negatieve invloed heeft op uw gezondheid. Zijn telefoonnummer is (0113) 88 66 88.
Bij het (gedeeltelijk) hervatten van het werk dient u dit door te geven aan uw leidinggevende of diens vervanger of de gemeentesecretaris of diens vervanger.
2 Beleid
Het ziekteverzuimbeleid van Gemeente Kapelle is gericht op het gezond houden en maken van onze medewerkers. Ziekte is niet altijd te beïnvloeden, wat wel kan is een ARBO-beleid voeren waarin de Gemeente Kapelle en haar werknemers samen verantwoordelijkheid dragen om ziekte en uitval te voorkomen of zo snel mogelijk te herstellen.
De fasen die in het ziekteverzuimbeleid worden onderscheiden zijn: preventie, interventie en re-integratie. In de preventiefase gaat het om het voorkomen van uitval door ziekte. In de interventiefase gaat het om zo adequaat mogelijke oplossingen te bieden voor uitval en in de re-integratiefase ligt de nadruk op het zo goed mogelijk begeleiden om terug te keren naar eigen werk.
Instrumenten:
Er worden verschillende instrumenten ingezet ter voorkoming van verzuim door ziekte. Mogelijke problemen of klachten moeten gesignaleerd worden. De medewerker en de leidinggevende dragen hier een gezamenlijke verantwoordelijkheid om een zo gezond mogelijke werksituatie te creëren. De Gemeente Kapelle biedt een regeling aan voor het gebruikmaken van bedrijfsfitness. Binnen het gebouw zelf is klimaatbeheersing en ter stimulatie van gezonde voeding ligt er fruit en is melk en jus d’orange beschikbaar in de keuken.
Ter voorkoming van en begeleiding bij fysieke klachten kan de werkplek aangepast worden en er kan, indien mogelijk, gekeken worden naar aanpassingen aan het werk. Daarnaast biedt het IZA bedrijfszorgpakket verschillende mogelijkheden om vroegtijdige maatregelen te nemen met als doel verzuim door fysieke klachten te voorkomen.
Voor problemen op psychosociaal gebied is er een vertrouwenspersoon aanwezig binnen de organisatie. Daarnaast biedt het IZA bedrijfszorgpakket ook mogelijkheden om vroegtijdige maatregelen te nemen met als doel verzuim bij psychosociale klachten te voorkomen.
Deelnemers in het proces:
De medewerker:
De medewerker is verantwoordelijk voor zijn eigen gezondheid, indien de leidinggevende merkt dat de medewerker zijn verantwoordelijkheid hierin niet neemt kan hij de medewerker hier op aanspreken. Daarnaast kan de medewerker bij de leidinggevende terecht wanneer problemen zich dreigen voor te doen.
De leidinggevende:
De leidinggevende signaleert mogelijke problemen en praat hier met de medewerker over. Indien de leidinggevende signaleert dat de ziekte langdurig gaat worden neemt hij contact op met P&O en de bedrijfsarts. In het kader van de Wet Verbetering Poortwachter zal het stappenplan gevolgd worden.
De bedrijfsarts:
De bedrijfsarts speelt een belangrijke rol bij de begeleiding, probleemanalyse en re-integratie. Hij adviseert de medewerker en de leidinggevende.
P&O:
P&O adviseert over het inzetten van instrumenten ter voorkoming van uitval, daarnaast biedt P&O hulp en advies in het proces van re-integratie.
IZA:
IZA biedt met het bedrijfszorgpakket verschillende diensten aan ter voorkoming of herstelling van ziekte.
ARBO dienst:
De ARBO dienst voert indien nodig een risico inventarisatie en evaluatie uit. De punten die hieruit voortkomen worden verwerkt t.b.v. een bijdrage aan een gezonde en veilige werkomgeving.
3 Doorbetaling salaris bij ziekte
Voor de regels van doorbetaling van het salaris bij ziekte verwijzen wij naar de tekst van de CAR-UWO.
4 Communicatie
Communicatie m.b.t. ziekte naar de collega's verloopt via onderstaande tabel
Afdeling
Gemeentelijke organisatie
Kortdurend ziektegeval
Het afdelingshoofd doet de ziekmelding direct in TIM. Hij vertelt op de afdeling op de manier die het beste past dat de betreffende collega een paar dagen afwezig is.
Mensen kunnen in Outlook zien of iemand ziek is of afwezig is.
Langdurend ziektegeval
De collega’s zijn op de hoogte, maar het afdelingshoofd besteedt er aandacht aan dat het langer gaat duren.
Het afdelingshoofd deelt via de andere afdelingshoofden mede dat de collega wegens ziekte een bepaalde periode afwezig zal zijn.
Bijlagen
Bijlage I Salarisverhoging
In de bijlage van de in artikel 3:1, eerste lid, bedoelde bezoldigingsregeling worden met ingang van 1 april 1993 de daarin opgenomen schaalbedragen verhoogd met 2%.
Met ingang van 1 januari 1995 worden de schaalbedragen verhoogd met 0,5%.
Met ingang van 1 augustus 1995 worden de schaalbedragen verhoogd met 1,25%, behoudens de schaalbedragen van personeel werkzaam bij gemeentelijke zorginstellingen. Ten aanzien van personeel dat op of na 1 augustus 1995 werkzaam is bij gemeentelijke ziekenhuizen, gemeentelijke verpleegtehuizen of gemeentelijke psychiatrische ziekenhuizen, geldt dat zij in januari 1996 een eenmalige uitkering ontvangen ter grootte van 1,25% van de grondslag. De grondslag bestaat uit de over de maanden augustus tot en met december 1995 genoten bezoldiging, vermeerderd met 8% vakantietoeslag. Deze uitkering wordt niet verstrekt aan personeel dat voor 1 januari 1996 uit dienst is getreden en in de periode van 1 augustus tot en met 31 december 1995 minder dan 100 uur bij één instelling heeft gewerkt.
Met ingang van 1 januari 1996 is de gemeentelijke salarismutatie ook op personeel van zorginstellingen van toepassing.
Met ingang van 1 augustus 1996 worden de schaalbedragen verhoogd met 1,25%.
Vanaf 1997 wordt een structurele eindejaarsuitkering uitgekeerd van 0,3% van het jaarsalaris.
Per 1 juni 1997 worden de schaalbedragen met 3,0% verhoogd.
Met ingang van 1 april 1998 worden de schaalbedragen verhoogd met 2,25%.
Met ingang van 1 april 1999 worden de schaalbedragen verhoogd met 2,0%.
Met ingang van 1 oktober 1999 worden de schaalbedragen verhoogd met 1,0%.
Degenen die op 1 december 1999 in dienst zijn van de gemeente krijgen in die maand een eenmalige uitkering van ƒ 350,– bruto bij een volledige betrekking. Bij een deeltijdbetrekking wordt dit bedrag naar rato vastgesteld. De uitkering werkt door naar de postactieven.
Degenen die op 1 april 2000 in dienst zijn van de gemeente krijgen in die maand een eenmalige uitkering van ƒ 350,– bruto bij een volledige betrekking. Bij een deeltijdbetrekking wordt dit bedrag naar rato vastgesteld. De uitkering werkt door naar de postactieven.
Met ingang van 1 augustus 2000 worden de schaalbedragen verhoogd met 1,5%.
Met ingang van 1 oktober 2000 worden de schaalbedragen verhoogd met 1,5%.
In 2000 wordt de structurele eindejaarsuitkering van 0,8% eenmalig verhoogd met 0,5% onder een gelijktijdige verhoging van het minimale bedrag met ƒ 250,-. Dit resulteert voor 2000 in een eindejaarsuitkering van 1,3% met een minimaal bedrag van ƒ 650,-.
Met ingang van 1 januari 2001 worden de schaal;bedragen gebruteerd met 1,9% met een maximum van ƒ 1.745,-.
Met ingang van 1 mei 2001 worden de schaalbedragen verhoogd met 3,3%.
Vanaf 2001 wordt de eindejaarsuitkering met 0,95% structureel verhoogd naar 1,75%. Tevens wordt vanaf 2001 het minimale bedrag verhoogd van ƒ 400,- naar ƒ 1.125,- bruto. In 2001 wordt deze minimale uitkering eenmalig opgehoogd met ƒ 50,- naar ƒ 1.175,-
Vanaf 2002 bedraagt de eindejaarsuitkering 1,75% met een minimaal bedrag van € 511,-.
Met ingang van 1 februari 2002 worden de schaalbedragen verhoogd met 3 %.
Met ingang van 1 oktober 2002 worden de schaalbedragen verhoogd met 0,5 %.
Vanaf 2002 wordt de eindejaarsuitkering structureel met 1 procentpunt verhoogd naar 2,75 %. Tevens wordt vanaf 2002 het minimale bedrag verhoogd van € 511,- naar € 611,- bruto. Vanaf 2002 is de grondslag van de eindejaarsuitkering het jaarsalaris.
Met ingang van 1 april 2003 worden de schaalbedragen verhoogd met 2 %.
Vanaf 2003 wordt de eindejaarsuitkering structureel met 0,25 procentpunt verhoogd naar 3 %. Tevens wordt vanaf 2003 het minimale bedrag verhoogd van € 611,- naar € 836,- bruto.
Degenen die op 1 oktober 2003 in dienst zijn van de gemeente krijgen in die maand een eenmalige uitkering van € 200,- bruto bij een volledige betrekking. Bij een deeltijdbetrekking wordt dit bedrag naar rato vastgesteld. De uitkering werkt niet door naar de pensioenen en de uitkeringen in verband met ontslag en werkloosheid, zowel wat betreft opbouw als indexatie.
Met ingang van 1 juni 2005 worden de schaalbedragen verhoogd met 1 %.
Met ingang van 1 februari 2006 worden de schaalbedragen verhoogd met 1,6 %.
Met ingang van 1 februari 2007 worden de schaalbedragen verhoogd met 0,8%.
Met ingang van 1 juni 2007 worden de schaalbedragen verhoogd met 2,2%. In 2007 wordt de eindejaarsuitkering structureel verhoogd met 0,5 procentpunt. Dit resulteert in een eindejaarsuitkering van 3,5%. De bodem van de eindejaarsuitkering wordt niet verhoogd en blijft € 836,-.
Met ingang van 1 juni 2008 worden de schaalbedragen verhoogd met 2,2%. In 2008 wordt de eindejaarsuitkering structureel verhoogd met 1,5 procentpunt. Dit resulteert in een eindejaarsuitkering van 5%. De bodem van de eindejaarsuitkering wordt niet verhoogd en blijft € 836,-.
In 2010 wordt de eindejaarsuitkering structureel verhoogd met 0,5 procentpunt. Dit resulteert in een eindejaarsuitkering van 5,5%. De bodem in de eindejaarsuitkering wordt verhoogd van € 836, - naar € 1.750, -. Degenen die (een deel van) de maand april 2010 in dienst zijn van de gemeente ontvangen een eenmalige uitkering van 1% en een eenmalige uitkering van 0,5%. Beide eenmalige uitkeringen worden berekend over het salaris dat de medewerker ontvangen heeft in de maand april 2010 vermenigvuldigd met de factor 12. Voor medewerkers met een deeltijdbetrekking worden de twee eenmalige uitkeringen vastgesteld naar rato van de betrekkingsomvang. De eenmalige uitkeringen zijn pensioengevend en hebben geen invloed op de hoogte van bovenwettelijke uitkeringen in verband met ontslag en werkloosheid (uitkeringen op grond van hoofdstuk 9, 9a, 9b, 9c, 10, 10a, 10d, 11 en 11a van de CAR).
Met ingang van 1 januari 2011 worden de schaalbedragen verhoogd met 0,5% en wordt de eindejaarsuitkering structureel verhoogd met 0,5 procentpunt. Dit resulteert in een eindejaarsuitkering van 6,0%. De bodem van de eindejaarsuitkering wordt niet verhoogd en blijft € 1.750, -.
Met ingang van 1 januari 2012 worden de schaalbedragen verhoogd met 1,0%.
Met ingang van 1 april 2012 worden de schaalbedragen verhoogd met 1,0%.
Met ingang van 1 oktober 2014 worden de schaalbedragen verhoogd met 1%.
Degenen die op 15 juli 2014 in dienst zijn van de gemeente krijgen in die maand een eenmalige uitkering van € 350 bruto bij een volledige betrekking. Bij een deeltijdbetrekking wordt dit bedrag naar rato vastgesteld. De uitkering werkt niet door naar de pensioenen en de uitkeringen in verband met ontslag en werkloosheid, zowel wat betreft opbouw als indexatie.
Met ingang van 1 april 2015 worden de schaalbedragen verhoogd met 50 euro.
Met ingang van 1 januari 2016 worden de schaalbedragen verhoogd met 3,0%.
Met ingang van 1 januari 2017 worden de schaalbedragen verhoogd met 0,4%.
Bijlage II Inpassingtabel betreffende de gemeentelijke garantiesalarissen
Inpassingtabel betreffende de gemeentelijke garantiesalarissen per 1 januari 2017
Regelnummer
Garantieschalen
33
3391
35
3515
37
3637
39
3748
41
3864
43
3985
45
4114
47
4239
49
4359
51
4479
53
4594
57
4837
59
4953
61
5073
63
5209
67
5509
69
5660
73
5959
75
6111
77
6283
79
6452
81
6622
83
6807
85
7005
87
7204
89
7405
91
7604
93
7803
95
8006
Bijlage IIa Salaristabel gemeenteambtenaren
Salaristabel gemeenteambtenaren per 1 januari 2017, nieuwe structuur*
periodiek
Schaal
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
0
1498
1533
1571
1616
1663
1773
1990
2277
2527
2726
1
1533
1584
1636
1688
1743
1854
2073
2370
2635
2853
2
1570
1636
1701
1791
1821
1935
2158
2462
2743
2979
3
1607
1687
1766
1832
1901
2016
2241
2554
2850
3106
4
1645
1739
1831
1904
1981
2097
2326
2646
2958
3233
5
1682
1790
1896
1977
2059
2178
2409
2739
3066
3360
6
1720
1841
1960
2049
2139
2258
2493
2832
3174
3487
7
1757
1892
2025
2121
2218
2339
2577
2924
3282
3614
8
1795
1944
2090
2193
2297
2420
2661
3016
3389
3741
9
1832
1995
2155
2265
2377
2501
2745
3108
3497
3868
10
1870
2047
2220
2337
2456
2582
2829
3201
3604
3994
11
1907
2098
2285
2409
2535
2662
2913
3293
3712
4121
periodiek
Schaal
10A
11
11A
12
13
14
15
16
17
18
0
3005
3266
3594
3923
4380
4653
5004
5358
5929
6572
1
3135
3401
3730
4058
4513
4813
5189
5573
6161
6822
2
3265
3536
3865
4192
4645
4973
5374
5788
6396
7071
3
3395
3671
3999
4325
4777
5133
5558
6004
6626
7321
4
3525
3806
4134
4457
4910
5293
5743
6219
6858
7570
5
3655
3941
4266
4590
5042
5453
5828
6435
7090
7820
6
3785
4076
4399
4722
5175
5613
6113
6650
7322
8070
7
3915
4210
4531
4854
5307
5773
6298
6865
7555
8320
8
4045
4342
4664
4987
5440
5933
6483
7080
7787
8569
9
4174
4475
4796
5119
5572
6093
6668
7296
8019
8819
10
4302
4607
4928
5252
5704
6253
6853
7511
8251
9068
11
4430
4740
5061
5384
5837
6413
7038
7726
8484
9318
*Als het schaalbedrag onder het voor de medewerker geldende minimumloon ligt, heeft de medewerker recht op het voor hem geldende minimumloon overeenkomstig de bepalingen in de WML.
Voor de ambtenaar die valt onder de definitie van artikel 1:2c, eerste lid geldt een aparte schaal: schaal A. Het bedrag van de periodiek 0 is gelijk aan het wettelijk minimumloon. Het bedrag van de periodiek 11 is gelijk aan 120% van het wettelijk minimumloon. De salarisbedragen voor schaal A worden geïndexeerd op de ontwikkeling van het wettelijk minimumloon en elk jaar op 1 januari vastgesteld door het LOGA en gepubliceerd op www.car-uwo.nl.
Vergoedingentabel betreffende de vrijwilligers bij de gemeentelijke brandweer per 1 januari 2017
jaarvergoeding
uurbedrag oefeningen en cursussen e.d.
uurbedrag voor brandbestrijding en hulpverlening
uurbedrag voor langdurige aanwezigheid
1.Aspirant manschap a
341
10,55
19,72
13,14
2.Manschap A, Chauffeur, Voertuigbediener, Gaspakdrager, Brandweerduiker, Verkenner gevaarlijke stoffen
341
12,12
22,78
15,18
3.Manschap B, duikploegleider, langer dan 5 jaar manschap A, manschap A en ten minste twee specialisaties uit categorie 2
341
13,44
25,21
16,81
4.Bevelvoerder
512
16,84
31,66
21,10
5.Officier van dienst
4035
0,00
40,35
0,00
6.Hoofdofficier van dienst, adviseur gevaarlijke stoffen
5794
0,00
57,94
0,00
7.Commandant van dienst
8619
0,00
64,66
0,00
Bijlage IIc Gebruteerde Vergoedingsbedragen betreffende vrijwilligers bij de gemeentelijke brandweer per 1 januari 2017
jaarvergoeding
uurbedrag oefeningen en cursussen e.d.
uurbedrag voor brandbestrijding en hulpverlening
uurbedrag voor langdurige aanwezigheid
1.Aspirant manschap A
345
10,69
20,06
13,36
2.Manschap A, Chauffeur, Voertuigbediener, Gaspakdrager, Brandweerduiker, Verkenner gevaarlijke stoffen
345
12,35
23,24
15,49
3.Manschap B, duikploegleider, langer dan 5 jaar manschap A, manschap A en ten minste twee specialisaties uit categorie 2
345
13,68
25,61
17,09
4.Bevelvoerder
520
17,13
32,14
21,43
5.Officier van dienst
4112
0,00
41,12
0,00
6.Hoofdofficier van dienst, adviseur gevaarlijke stoffen
5899
0,00
58,99
0,00
7.Commandant van dienst
8781
0,00
65,81
0,00
In deze bijlage is de tabel opgenomen die uitsluitend geldt voor de zeer beperkte categorie vrijwilligers bij de brandweer voor wie de vergoedingen tot het inkomen in de zin van het Pensioenreglement worden gerekend. Het gaat hierbij om personen die vóór 1 januari 1980 een aanstelling hadden als vrijwilliger bij de gemeentelijke brandweer.
Onder bepaalde voorwaarden vielen zij onder de werking van de Algemene Burgerlijke Pensioenwet (ABP-wet). Op 1 januari 1980 is de regeling op dit punt gewijzigd en zijn vrijwilligers bij de gemeentelijke brandweer uitgesloten van het ambtenaarschap in de zin van de ABP. Bij de wijziging in 1980 is een overgangsmaatregel getroffen. Deze hield in dat vrijwilligers die op 31 december 1979 al ambtenaar waren, het ambtenaarschap behielden zolang zij in dezelfde dienstverhouding werkzaam bleven. Op grond van deze overgangsbepaling zijn er nu nog vrijwilligers bij de brandweer die overheidswerknemer zijn en pensioen opbouwen bij het ABP. Degenen die na 1 januari 1980 zijn aangesteld, zijn per definitie geen ABP-deelnemer. Voor hen is deze bijlage niet van belang, maar geldt bijlage 11.
Bijlage III Hoorbepaling
Deze tekst bevat een alternatieve tekst voor hoofdstuk 12, bestemd voor gemeenten waar geen commissie voor georganiseerd overleg is ingesteld.
Verwijzingen
- Artikel 19
- artikel 19
- Artikel 19
- Artikel 19
- Artikel 19
- Artikel 19
- Artikel 19
- Artikel 19
- Artikel 19
- artikel 19
- Artikel 19
- Artikel 19
- Artikel 19
- Artikel 19
- Artikel 19
- Artikel 19
- artikel 19
- Artikel 19
- Artikel 19
- Artikel 19
- Artikel 19
- Artikel 19
- Artikel 19
- Artikel 19
- Artikel 19
- Artikel 19
- Artikel 19
- Artikel 19
- Artikel 19
- Artikel 19
- artikel 19
- Artikel 19
- Artikel 19
- Artikel 19
- Artikel 19
- Artikel 19
- Artikel 19
- Artikel 19
- artikel 19
- Artikel 19
- Artikel 19
- Artikel 19
- Artikel 19
- Artikel 19
- Artikel 19
- Artikel 19
- Artikel 19
- Artikel 19
- artikel 19
- Artikel 19
- artikel 19
- Artikel 19
- Artikel 19
- artikel 19
- Artikel 19
- Artikel 19
- Artikel 19
- Artikel 19
- Artikel 19
- Artikel 19
- Artikel 19
- Artikel 19
- Artikel 19
- artikel 19
- Artikel 19
- Artikel 19
- Artikel 19
- Artikel 19
- artikel 19
- Artikel 19
- Artikel 19
- Artikel 19
- artikel 8
- Artikel 19b
- Artikel 19b
- Artikel 19b
- Artikel 19b
- artikel 8
- Artikel 19b
- Artikel 20
- artikel 2
- Artikel 19b
- artikel 3
- Artikel 19b
- artikel 19a
- Artikel 22
- Artikel 19b
- Artikel 19b
- artikel 19b
- artikel 1
- artikel 3
- Artikel 19b
- Artikel 19b
- Artikel 19b
- Artikel 21
- artikel 19b
- artikel 19
- Artikel 19
- Artikel 19a
- Artikel 20
- Artikel 20
- Artikel 20
- Artikel 19b
- artikel 4
- Artikel 19b
- artikel 8
- artikel 4
- Artikel 19b
- artikel 3
- Artikel 20
- Artikel 19b
- artikel 1
- Artikel 19b
- artikel 4
- Artikel 19b
- artikel 10
- artikel 8
- Artikel 19b
- Artikel 19a
- Artikel 19b
- artikel 6
- Artikel 19a
- Artikel 19b
- Artikel 19b
- Artikel 19
- artikel 6
- Artikel 19b
- Artikel 21
- Artikel 19b
- artikel 6
- Artikel 21
- Artikel 19
- Artikel 19b
- Artikel 19
- Artikel 19
- artikel 19a
- artikel 8
- Artikel 20
- artikel 8
- Artikel 19b
- artikel 8
- artikel 19a
- Artikel 21
- artikel 3
- Artikel 19b
- Artikel 19b
- Artikel 19b
- artikel 6
- Artikel 19b
- Artikel 19
- artikel 19b
- artikel 19b
- artikel 6
- Artikel 19
- Artikel 19a
- Artikel 19b
- Artikel 20
- Artikel 19b
- Artikel 19b
- Artikel 3
- Artikel 19b
- Artikel 19b
- Artikel 19b
- Artikel 19b
- Artikel 19b
- artikel 10
- Artikel 20
- artikel 5
- artikel 8