1.
mandaat: de bevoegdheid om namens een bestuursorgaan een besluit te nemen;
machtiging : de bevoegdheid om handelingen te verrichten- zogenaamde feitelijke handelingen- die noch als een besluit, noch als privaatrechtelijke handeling kunnen worden aangemerkt;
mandaatgever: het bestuursorgaan dat aan een in het mandaatregister genoemde functionaris -de gemandateerde- de bevoegdheid geeft om in naam van het bestuursorgaan besluiten te nemen;
gemandateerde: de functionaris, die van de mandaatgever de bevoegdheid heeft gekregen om in naam van de mandaatgever besluiten te nemen;
ondermandaat: een door een gemandateerde verleend mandaat van een aan hem gemandateerde bevoegdheid;
mandaatregister: het bij dit besluit behorend register waarin ten aanzien van het uitoefenen van bevoegdheden vermeld wordt aan welke functionarissen mandaat of machtiging wordt verleend.
2. De algemene bepalingen die zijn opgenomen voor mandaat in de Algemene wet bestuursrecht gelden tevens voor de bevoegdheden op grond van machtiging, gelet op artikel10:12 hoofdstuk 10 van de Algemene wet bestuursrecht.
3· Ingeval van afwezigheid van de in eerste lid onder e bedoelde functionaris, worden deze bevoegdheden uitgeoefend door zijn of haar plaatsvervanger (of waarnemer) als beschreven in artikel 4.
Op plaatsvervanging zijn de bepalingen van deze mandaatregeling van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk
Artikel 1
Begrips- en overige bepalingen
Onderdeel van mandaatbesluit ten behoeve van de omgevingsdienst noordzeekanaalgebied