Naar hoofdinhoud
1.. Indien een medewerker wordt verdacht van het overtreden van deze regeling, kan gedurende een vastgestelde periode gerichte controle plaatsvinden. 2.. Deze gerichte controle wordt slechts uitgevoerd nadat de medewerker is ingelicht dat signalen hierover zijn ontvangen en om zijn reactie is gevraagd. Werkgever kan deze inlichtingenplicht buiten beschouwing laten voor zover dit noodzakelijk is voor de in artikel 43 van de Wet bescherming persoonsgegevens genoemde belangen. In dit geval worden betrokkenen altijd wel zo spoedig mogelijk geïnformeerd over de gerichte controle. 3.. Controle beperkt zich in principe tot verkeersgegevens van het gebruik van de ICT-middelen en de informatie van de werkgever. Alleen bij zwaarwegende redenen vindt er controle op de inhoud plaats. Privé-bestanden worden hierbij zoveel mogelijk ontzien. 4.. Het verzoek tot controle wordt schriftelijk gedaan en met redenen omkleed door de direct leidinggevende met toestemming van de naast hogere leidinggevende. Voordat het verzoek wordt gedaan wordt er bij het hoofd P&O van het SCD advies ingewonnen. Het verzoek wordt bij het hoofd van de afdeling ICT ingediend. 5.. Medewerkers ten aanzien van wie geconstateerd is dat zij zich niet aan deze regeling houden, worden zo spoedig mogelijk door de leidinggevende op hun gedrag aangesproken. 6.. E-mailberichten van leden van de ondernemingsraad en vertrouwenspersonen mogen door, dan wel namens de werkgever niet inhoudelijk worden gecontroleerd. Dit geldt eveneens voor andere medewerkers die op grond van hun functie en/of bijzondere taak zich op vertrouwelijkheid kunnen beroepen. Dit geldt niet voor de controle als genoemd in art 5 lid 1. 7.. De functionarissen belast met het beheer van de bestanden en de controle zijn verplicht tot geheimhouding van de persoonsgegevens waarvan zij kennisnemen behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hen tot mededeling verplicht of uit hun taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel