Naar hoofdinhoud
Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder: Werkgever: het college of bestuur van een van de bij het netwerk Drechtsteden/Zuid-Holland Zuid aangesloten organisaties of de leidinggevende, die gemandateerd is in het kader van deze regeling besluiten te nemen. Medewerker: de ambtenaar als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, sub a van de CAR-UWO, alsmede hij die vanwege zijn functie verplicht is voorgeschreven kleding te dragen. Werkkleding: 1.kleding die uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt is voor de uitoefening van de functie van de medewerker. 2.kleding die is voorzien van een of meer duidelijk zichtbare, aan de werkgever gebonden beeldkenmerken ter grootte van te minste 70 cm2 per kledingstuk In ieder geval: I Kleding, schoeisel en persoonlijke beschermingsmiddelen (uitrustingsstukken) in het kader van de Arbo-wetgeving; II Kleding en schoeisel noodzakelijk voor de uitoefening van de functie; III Kleding die niet aan de bovengenoemde eisen voldoet, maar toch onbelast kan worden verstrekt, omdat de kleding op de werkplek blijft. Artikel 2 Noodzakelijke verstrekking werkkleding De verstrekking van de kleding is noodzakelijk voor de uitoefening van de functie indien: de medewerker in belangrijke mate vuil werk verricht; de medewerker in de uitoefening van zijn functie herkenbaar moet zijn; als gevolg van de uitoefening van functie de kleding van de medewerker onderhevig is aan overmatige slijtage; een bijzondere kledingvoorziening noodzakelijk is uit veiligheidsoogpunt voor de medewerker.

Rechtspraak bij dit artikel