1.De commissie stelt degenen die ten aanzien van een in voorbereiding zijnd besluit een schriftelijke zienswijze naar voren hebben gebracht alsmede eventuele belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord.
2.Tenzij het bestuursorgaan daartoe zelf gelegenheid heeft geboden, worden degene die bij het bestuursorgaan kenbaar hebben gemaakt hun zienswijze mondeling naar voren te willen brengen, daartoe tijdens de hoorzitting in de gelegenheid gesteld.
3.Op het horen is artikel 7:6 van de Awb van overeenkomstige toepassing.