Naar hoofdinhoud

Artikel 1.

Gezondheidsrisico’s van UMTS-straling

Onderdeel van Beleidsnotitie Behandeling bouwaanvragen plaatsen UMTS-antenneinstallaties Bloemendaal 2007

Zwitsers onderzoek Op 6 juni 2006 zijn de resultaten gepubliceerd van een Zwitserse studie naar de effecten van UMTS-velden op het welbevinden en de cognitieve functies van blootgestelde vrijwilligers. Dit onderzoek is gebaseerd op een eerder uitgevoerd verkennend TNO-onderzoek, waarvan de resultaten in 2003 zijn gepubliceerd, en op de aanbevelingen van de Nederlandse Gezondheidsraad. Onderzocht is of UMTS-velden effecten hebben op welbevinden (zoals klachten over hoofdpijn, moeheid of duizeligheid) en cognitieve functies (zoals reactiesnelheid en korte termijn geheugen). Aan het onderzoek namen deel zowel mensen die zichzelf beschouwen als gevoelig voor de door antennes geproduceerde velden als mensen die zichzelf niet beschouwen als gevoelig. Na analyse van de onderzoeksgegevens bleken in die gegevens geen aanwijzingen te zijn dat de UMTS-velden effecten hebben op welbevinden of cognitieve functies. In de samenvatting van het artikel staat echter vermeld dat de resultaten van het onderzoek alleen uitspraken toelaten over de samenhang tussen kortstondige blootstelling aan een UMTS-basisstationsignaal en een directe vermindering van het welbevinden of de cognitieve vermogens. Er kunnen geen conclusies worden getrokken over gezondheidsrisico’s als gevolg van het gebruik van UMTS-mobieltjes of als gevolg van langdurige, chronische blootstelling door UMTS-basisstations. Voor een meer definitieve beoordeling moeten andere, momenteel lopende of op handen zijnde onderzoeken worden afgewacht. Bijlage 1 bevat een door het Antennebureau aangeboden samenvatting van het Zwitserse onderzoek. Verder is in bijlage 1 het ‘Herzien standpunt UMTS-zendmasten’ van het Landelijk Centrum Medische Milieukunde van 10 oktober 2006 opgenomen. Reactie staatssecretaris In een brief aan de Tweede Kamer heeft de staatssecretaris Van Geel, van VROM, de kamer over de resultaten van dit onderzoek geïnformeerd. De staatssecretaris stelt in die brief dat de resultaten van het Zwitserse onderzoek dusdanig eenduidig en helder zijn dat zij de maatschappelijke ongerustheid kunnen wegnemen. Bovendien is de in het Zwitserse onderzoek gebruikte hoogste UMTS blootstelling (van 10V/m) ruim hoger dan hetgeen in de praktijk is gemeten op locaties die voor het publiek toegankelijk zijn. In zijn brief verwijst de staatssecretaris naar de brief van 7 maart 2005, waarin is aangegeven dat hij verantwoordelijk is voor het beleid ten aanzien van de gezondheidsaspecten voor burgers van elektromagnetische velden afkomstig van antennes. In die lijn behoort het tot de verantwoordelijkheid van de staatssecretaris om te beoordelen of de plaatsingsvoorwaarden, in combinatie met de Europees vastgelegde normen voor antennes voor mobiele telefonie, de gezondheid en welbevinden voor burgers waarborgen. De staatssecretaris stelt dat die beoordeling geen verantwoordelijkheid is voor gemeentelijk of provinciaal bestuur. In die verantwoordelijkheid wordt de staatssecretaris bijgestaan door onder meer de Gezondheidsraad en het RIVM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu), die in de gaten houden of er nieuwe onderzoeksresultaten worden gepubliceerd die mogelijk van invloed zijn op de beoordeling van de veiligheid van burgers. De staatssecretaris concludeert in zijn brief dat de huidige stand van de wetenschap zijn standpunt ondersteunt dat plaatsing van UMTS-antennes vanuit gezondheidsoverwegingen verantwoord is. De brief van de staatssecretaris is als bijlage 2 bij deze notitie gevoegd. Standpunt VNG In haar brief aan de Tweede Kamer van 30 augustus 2006 heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) zich uitgesproken over de resultaten van het Zwitserse onderzoek naar UMTS en welbevinden en het standpunt van de staatsecretaris daarover. In die brief geeft de VNG aan de staatssecretaris te steunen in zijn conclusie dat er op basis van het verrichte onderzoek geen redenen zijn om de plaatsing van UMTS tegen te houden. Ook legt de VNG zich, mede op basis van recente jurisprudentie van de Raad van State, neer bij de opvatting van de staatssecretaris dat het oordeel over de mogelijke gezondheidsrisico’s is voorbehouden aan zijn departement en zich niet leent voor beoordeling door het gemeentelijke of provinciale bestuur. Dit standpunt betekent dat feitelijk wordt gesteld dat er geen beleidsruimte voor gemeenten is om plaatsing van UMTS tegen te houden op basis van bezorgdheid over mogelijke gezondheidsrisico’s. Bij dit oordeel gaat de VNG verder uit van de bevindingen van de Wereldgezondheidsorganisatie en de Gezondheidsraad. Deze oordelen dat niet aannemelijk is dat er zich gezondheidsrisico’s ten gevolge van UMTS zullen voordoen, noch op de lange termijn, noch op de korte termijn. Tot slot gaat de VNG er bij haar oordeel van uit dat de aansprakelijkheid voor eventuele gezondheidsrisico’s veroorzaakt door de toepassing van UMTS, mocht zulks zich in de toekomst blijken voor te doen, nooit voor rekening van gemeenten kan komen. Zij stelt dat gemeenten hier niet verantwoordelijk voor gehouden kunnen worden omdat zij volgens de staatssecretaris immers geen beleidsruimte hebben om af te wijken van het rijksbeleid in deze. De brief van de VNG van 30 augustus 2006 is in bijlage 3 opgenomen. Een voorbeeld van de recente jurisprudentie van de Raad van State waar de VNG over spreekt is de uitspraak van dat rechtscollege van 19 juli 2006, zaaknummer 200508690/1. Deze uitspraak is in bijlage 4 opgenomen. In die kwestie ging het om een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Vorden tot het verlenen van vrijstelling ex artikel 19 derde lid WRO en lichte bouwvergunning voor het plaatsen van een zendmast ten behoeve mobiele telefonie. De Raad van State overweegt in rechtsoverweging 2.5.1. met betrekking tot de geuite vrees voor gezondheidsrisico’s door UMTS-straling: ‘Niet kan evenwel staande worden gehouden dat appellant sub 1 (het college van burgemeester en wethouders) in de door [wederpartijen] geuite vrees aanleiding had moeten vinden vrijstelling voor de zendmast te weigeren. Appellant sub 1 heeft in redelijkheid aansluiting kunnen zoeken bij het standpunt van de regering dat de voorhanden zijnde onderzoeken thans geen aanleiding geven de plaatsing van UMTS-masten bij woonbebouwing te voorkomen en zich op het standpunt kunnen stellen dat, nu appellant sub 2 (T-Mobile B.V.) is gehouden apparatuur te gebruiken die voldoet aan de normen, waaronder de blootstellingslimieten, als bedoeld in het nationaal antennebeleid en het Convenant vergunningvrije antenne-installaties voor mobiele telecommunicatie dat is gesloten tussen de vijf operators, waaronder appellante sub 2, en de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Verkeer en Waterstaat en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, er geen reden is de vrijstelling te weigeren. ’ Conclusie Gelet op bovenstaande informatie ligt het voor de hand het standpunt van de staatssecretaris van VROM, de VNG en de Raad van State te volgen. Hieruit volgt dat aanvragen om vrijstelling en bouwvergunning voor het plaatsen van GSM- en UMTS-antenne-installaties niet geweigerd kunnen worden op grond van vrees voor mogelijke gezondheidsrisico’s als gevolg van die installaties.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel