Indien de zorgverzekeringswet mogelijkheden biedt, waarmee een cliënt voldoende in staat is tot zelfredzaamheid en participatie, is er geen noodzaak voor een maatwerkvoorziening.
Wet- en regelgeving: Wmo artikel 2.3.2 lid 4 sub f, artikel 2.3.5 lid 5 sub b, Verordening artikel 4 lid 1 sub g en artikel 7 lid 2
Voorbeelden:
uitleenhulpmiddelen, zoals rolstoelen en douche-/toiletstoelen voor tijdelijke beperkingen (korter dan 6 maanden);
begeleiding die nodig is bij of naar aanleiding van (geneeskundige) zorg die medisch specialisten bieden;
begeleiding die nodig is bij behandeling of revalidatie;
(dagelijkse) persoonlijke verzorging en/of verpleging, waardoor al een dagstructuur/dagelijkse routine wordt geboden en geen of minder ondersteuning bij het sociaal en persoonlijk functioneren nodig is.
Uitzonderingen:
behandelmijding, bijvoorbeeld bij een gestoorde oordeelsvorming of het ontbreken van ziektebesef en/of ziekte-inzicht en er een risico op verwaarlozing bestaat (ondersteuning zal dan ook gericht zijn om cliënt tot de noodzakelijke behandeling te bewegen);
ambulante behandeling die de cliënt onvoldoende zelfredzaamheid en participatie biedt.
De aanvullende verzekering valt niet onder de zorgverzekeringswet. Het staat cliënten vrij om zich aanvullend te verzekeren. Indien cliënten een aanvullende verzekering hebben, moeten ze gebruik maken van de mogelijkheden die deze biedt, wat van invloed kan zijn op de noodzaak voor of de omvang van een indicatie van een maatwerkvoorziening. Een voorbeeld van een mogelijkheid binnen een aanvullende verzekering is mantelzorgvervanging.
Hoofdstuk 1 › Paragraaf 1.5
Artikel 1.5.2
zorgverzekeringswet:
Onderdeel van Beleidsregels en nadere regel maatschappelijke ondersteuning Maassluis Vlaardingen Schiedam 2018