1 De in artikel 3.31 en 3.36 van het Bouwbesluit bedoelde, in
bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van
afvalwater en faecaliën, moeten zijn aangesloten aan een openbaar
riool en voldoen aan de in de NTR 3216 (meest recente versie)
gegeven richtlijnen voor ontwerp en uitvoering van binnenriolering
en aan de door SBR/ISSO uitgegeven publicatie 70.1 (hemelwater
binnen de perceelgrens; meest recente versie).
2 Op aanwijzing van het bouwtoezicht wordt bepaald:
a op welke plaats, op welke hoogte en met welke binnenmiddellijn de
voor het maken van de aansluiting noodzakelijke leiding of leidingen
de gevel van het gebouw, dan wel de grens van het erf of terrein
moet of moeten kruisen;
b of er al dan niet voorzieningen in die aansluitleiding moeten
worden tussengeschakeld ter
voorkoming van het terugvloeien van afvalwater en faecaliën;
lozingspunten die lager zijn gelegen dan 150 mm boven straatpeil
moeten via een rioolpomp rechtstreeks worden aangesloten.
c op welke plaats en hoeveel ontstoppingspunten dienen te worden
aangebracht; op plaatsen waar de rioolleiding een perceelsgrens
passeert, dient een niet-gemetselde ontstoppingsput te worden
geplaatst.
3 Het bevoegd gezag krachtens de Wet milieubeheer bepaalt of er al
dan niet voorzieningen in de bedoelde aansluitleiding moeten worden
tussengeschakeld ter verzekering van de goede werking of de goede
staat van het openbaar riool, dan wel ter voorkoming van hinder voor
andere aangeslotenen aan het openbaar riool, ingeval de hoeveelheid
of de aard van de af te voeren stoffen daartoe aanleiding
geeft.
4 Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
van het bepaalde in het eerste lid, indien afvoer op een andere
wijze zonder verontreiniging van water, bodem en lucht mogelijk
is:
a voor bouwwerken die op een grotere afstand dan 40 m van een
openbaar riool zijn gelegen;
b voor agrarische bedrijven.
Hoofdstuk 2 › Paragraaf 7
Artikel 2.7.4
Eis tot aansluiting aan de openbare riolering
Onderdeel van Bouwverordening 2010