De algemene criteria vormen de basis voor beoordeling van alle bouwplannen. Bij grotere bouwplannen zal dat altijd in combinatie zijn met de gebiedsgerichte kernkwaliteiten en ambities (hoofdstuk 3). In bepaalde situaties kan hiervan afgeweken worden, mits het bouwwerk een kwaliteitsverbetering van de omgeving en/of stedenbouwkundige context inhouden (hoofdstuk 5).
Situering
Het bouwwerk levert een positieve bijdrage aan de kwaliteit van de openbare (stedelijke of landschappelijke) ruimte. Daarbij kunnen hogere eisen worden gesteld naarmate de openbare betekenis van het bouwwerk of van de omgeving groter is.
Het bouwwerk past in of respecteert:
de aanwezige karakteristiek van de bestaande omgeving (stedenbouwkundige context, zoals straat-wand, open/gesloten bebouwing, hoeksituatie e.d.);
De toekomstige omgeving (stedenbouwkundige visie, vastgesteld beeldkwaliteitsplan, reeds goedgekeurde belendingen).
De specifieke terreinomstandigheden zijn waar mogelijk benut (denk aan: helling van het terrein, speciale locatie, ligging in het landschap).
Hoofdvorm
Het bouwwerk past qua hoogte en opbouw in de structuur van de directe bebouwde omgeving en het landschap.
De bouwmassa's zijn harmonieus van vorm, afmetingen en verhoudingen en ze vertonen duidelijk samenhang en richting.
De massaopbouw komt overeen met de structuur van de plattegronden.
De plattegronden zijn duidelijk gestructureerd en harmonieus van vorm, afmetingen en verhoudingen.
Gevel
Er is structuur en samenhang in het gevelbeeld m.b.t. de vorm, afmetingen en verhoudingen van de gevel-elementen, zonder dat de aantrekkingskracht van het bouwplan verloren gaat door simpelheid of een te veel aan gelijkvormigheid.
Het uiterlijk van een gebouw heeft een relatie met het gebruik en de wijze waarop het gemaakt is.
Bij renovatie is de oorspronkelijke stijl, gevelopbouw en gevelindeling behouden.
Bij splitsing is de architectonische eenheid van het oorspronkelijk pand behouden.
Bij samenvoeging is de individualiteit van de panden behouden.
Er is zo min mogelijk sprake van gesloten zijgevels grenzend aan de openbare ruimte.
Dak
De dakvorm past bij het ontwerp en sluit aan bij de gekozen (richting van de) plattegrond(en).
De dakhelling en het dakvlak staan in goede verhouding tot de gevels.
De vorm, afmetingen en verhoudingen van toevoegingen aan het dak (dakkapellen, -ramen etc.) hebben een relatie met en zijn ondergeschikt aan het dakvlak en de totale bouwmassa.
De aansluitingen op de gevels zijn zorgvuldig vormgegeven.
Detaillering
Het bouwwerk is zo ontworpen dat sprake is van detailleringen die consequent zijn toegepast en die passen bij de (gekozen) bouwstijl.
Bij renovatie en verbouw is de aanwezige fijne en ambachtelijke detaillering van onderdelen en kenmerkende ornamentiek als overstekken, dak- en gevellijsten, pilasters en luiken behouden.
Materiaal, kleur en textuur
Het bouwwerk is zo ontworpen dat textuur, materiaal- en kleurgebruik in harmonie zijn met het ontwerp en met de omgevingskarakteristiek.
Het materiaal is (technisch) goed toepasbaar voor de gekozen vormgeving en detaillering.
Er is gebruik gemaakt van duurzame materialen die blijvend kwaliteit uitstralen en mooi verouderen.
Duurzaamheid
Het thema duurzaamheid dient als ontwerpuitdaging te worden gehanteerd.
Er is op verschillende niveaus nagedacht over duurzaamheid, waaronder bestendigheid, energie- en klimaatbeheer, materiaalgebruik, afvalstromen, mobiliteit, ecologie en natuur etc.
Bij de toepassing van voorzieningen t.b.v. duurzaamheid zoals zonnecollectoren/ -panelen, groene gevels/daken, isolatiemaatregelen of dergelijke, passen deze binnen het architectonische concept van het gebouw en/of de stedenbouwkundige of landschappelijk context.
Voorzieningen t.b.v. duurzaamheid zijn integraal mee ontworpen.
Bij monumenten en cultuurhistorisch waardevolle gebieden wordt terughoudend omgaan met standaard voorzieningen t.b.v. duurzaamheid. Maatwerkoplossingen en alternatieven die passen bij het historische karakter hebben de voorkeur.
Hoofdstuk 1
Artikel 1.3