**1..** Onverminderd het bepaalde in artikel 2 lid 2 wordt de maatregel vastgesteld op:
€ 50,- bij gedragingen van de eerste categorie;
€ 200,- bij gedragingen van de tweede categorie;
i. € 50,00 bij een gedraging uit de derde categorie, waarbij het benadelingsbedrag lager is dan € 500,00; ii. € 150,00 bij een gedraging uit de derde categorie, waarbij het benadelingsbedrag groter dan of gelijk is aan € 500,00 maar lager is dan € 1.500,00; iii. € 350,00 bij een gedraging uit de derde categorie, waarbij het benadelingsbedrag groter dan of gelijk is aan € 1.500,00 maar lager is dan € 3.500,00; iv. € 600,00 bij een gedraging uit de derde categorie, waarbij het benadelingsbedrag groter dan of gelijk is aan € 3.500,00 maar lager is dan € 6.000,00; v. bij een gedraging uit categorie 3, waarbij het benadelingsbedrag groter is dan € 6.000,00 en waar geen aangifte bij het Openbaar Ministerie wordt gedaan, vindt een verhoging plaats van € 300,00 per € 3.000,00 of gedeelten daarvan;
De gehele WIJ-norm bij gedragingen van de vierde categorie;
**2..** In afwijking van het gestelde in het eerste lid bedraagt de verlaging niet meer dan het maandbedrag dat voor de inkomensvoorziening in aanmerking komt.
**3..** De duur van de maatregel bedoeld in het eerste lid wordt vastgesteld op een maand.
**4..** Het college kan jaarlijks per 1 januari de bedragen als genoemd in lid 1 aanpassen door middel van indexering. De bedragen na indexering worden naar boven afgerond op een veelvoud van € 5,00.
Paragraaf 2
Artikel 7
De hoogte en de duur van de maatregel
Onderdeel van Afstemmingsverordening Wet investeren in jongeren