Bij het beoordelen of bij een gedraging van een inwoner sprake is van ernstige en structurele woonoverlast en of daarvoor een bestuurlijke gedragsaanwijzing voor wordt opgelegd worden de volgende aspecten betrokken:
het soort woonoverlast;
de frequentie van de woonoverlast;
de locatie specifieke omstandigheden;
de sociale cohesie in de buurt;
de reikwijdte van de zorgplicht;
welke maatregelen kunnen of al zijn toegepast;
in hoeverre de persoonlijke omstandigheden van de overlastgever bijdragen aan de woonoverlast;
de feitelijke observaties van ketenpartners.
Toelichting:
In artikel 2:79 lid 1 Apv is bepaald:
Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt, of tegen betaling in gebruik geeft aan een persoon die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen is ingeschreven, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt.
Bij het beoordelen van woonoverlast zal telkens een belangenafweging moeten worden gemaakt, waarbij deze aspecten worden betrokken. Van belang is dat al deze aspecten in onderlinge samenhang worden bezien. Elk geval wordt beoordeeld aan de hand van de specifieke feiten en omstandigheden van het geval. Maatwerk leveren is het devies. Het soort overlast kan bepalend zijn of een last onder dwangsom dan wel last onder bestuursdwang wordt opgelegd.
Met ‘gedragingen in of vanuit die woning of dat erf’ worden bedoeld gedragingen die in of rondom de woning of het erf worden gepleegd. De gedragingen kunnen worden gepleegd door de gebruiker van de woning zelf of door bezoekers, gasten of vrienden van de gebruiker, maar ook door (bijvoorbeeld) diens hond. Het gaat om de woning die, of het erf dat, de overlastgever gebruikt. De gedragingen die worden gepleegd in de nabije omgeving van de woning, bijvoorbeeld in de tuin van de buren, vallen in beginsel onder de bepaling. Zo kan een blaffende hond op de straat voor de woning of een intimide-rende gedraging voor de deur van de woning van de buurman vallen onder het bestanddeel ‘gedragingen in of vanuit die woning of dat erf’, zolang er een duidelijke connectie is tussen de gedraging en de woning of het erf. Bij een blaffende hond of een intimiderende gedraging vijf straten verderop is geen sprake meer van gedragingen vanuit de woning of het erf.
Met locatie specifieke omstandigheden wordt onder meer bedoeld inrichting van de buurt en soort woning.
Om te beoordelen of de sociale cohesie van de buurt wordt aangetast kan gekeken worden of de buurtbewoners de buurt nog als een prettige en veilige woonomgeving ervaren. Indien dat niet het geval is dient bekeken te worden waardoor dit wordt veroorzaakt. Er zal bepaald moeten worden in hoeverre bijvoorbeeld de plaatsing van een multiprobleem gezin dat woonoverlast veroorzaakt een negatief effect op de sociale cohesie in de buurt.
Om de reikwijdte van de zorgplicht van een bewoner te bepalen vormen de fatsoensnormen die in het maatschappelijk verkeer in het algemeen worden aanvaard een leidraad. Huisreglementen van woningcorporaties (en VVE’s) zijn in dit kader ook van belang.
Als de bestuurlijke gedragsaanwijzing een tijdelijk huisverbod inhoudt en de woonoverlast aanhoudt is de burgemeester bevoegd om de looptijd van het tijdelijk huisverbod te verlengen tot ten hoogste vier weken voor zo ver er sprake is van ernstige vrees voor verdere overtreding (artikel 151d lid 3 Gemeentewet).
Verzoeken van omwonenden om een bestuurlijke gedragsmaatregel door de burgemeester te laten opleggen moeten met de nodige zorgvuldigheid worden behandeld. Deze verzoeken moeten ook aan de beoordelingscriteria getoetst worden. In de beschikking, die vatbaar is voor bezwaar en beroep, zal een gedegen motivering aan ten grondslag moeten worden gelegd.
Artikel 3